De controleurs van Saddam Hussein

De verwachting groeit dat de VN-wapencommissie UNMOVIC in Irak de nucleaire, biologische en chemische oorlogsvoering in kaart zal gaan brengen. Maar hoe waarschijnlijk is die verwachting?

De onverstoorbaarheid waarmee de regering-Bush werkt aan de voorbereiding van een aanval op Irak lijkt succes te boeken. Vorige week werd Hans Blix, het hoofd van de VN-commissie UNMOVIC, onverwacht uitgenodigd voor technische besprekingen in Bagdad. UNMOVIC is de opvolger van het vermaarde UNSCOM, bekend geworden van de wapeninspecties die het Iraakse programma voor nucleaire, biologische en chemische oorlogsvoering in kaart brachten. Hier en daar groeit nu de verwachting dat UNMOVIC het karwei kan afmaken dat UNSCOM bijna vier jaar geleden, in december 1998, moest afbreken.

Erg waarschijnlijk is dat niet. UNSCOM, de `Speciale Commissie' van de Verenigde Naties, werd opgericht in april 1991, direct na de Golfoorlog. Zij kreeg haar taken beschreven in resolutie 687 van de Veiligheidsraad. In samenwerking met het Internationale atoomenergie-agentschap IAEA (toen onder leiding van Hans Blix) moest zij toezien op de vernietiging of het onklaar maken van alle Iraakse massavernietigingswapens en bovendien van alle raketten met een groter bereik dan 150 kilometer. Zij zou dat doen aan de hand van een inventaris die Irak binnen twee weken moest inleveren.

UNSCOM kwam onder leiding te staan van de Zweedse diplomaat Rolf Ekéus, die de Amerikaan Bob Gallucci naast zich kreeg. Aangenomen werd dat UNSCOM haar taak binnen een of anderhalf jaar rond zou krijgen, maar al na een maand werd duidelijk dat het veel langer zou duren. Irak bleek er niet over te peinzen een volledig en gedetailleerd overzicht te geven van zijn wapens, wapenlaboratoria en wapenfabrieken. Geregeld werd inspecteurs de toegang tot gebouwen en installaties geweigerd, niet zelden werden de inspecteurs fysiek bedreigd. Dankzij de vastberadenheid van de Veiligheidsraad, die zich steeds vierkant achter UNSCOM opstelde en geregeld met `ernstige gevolgen' dreigde als Irak dwars lag (en in 1993 de daad bij het woord voegde door toestemming te geven voor strafbombardementen), kon vooruitgang worden geboekt.

UNSCOM ontwikkelde zich tot een goed lopende organisatie met een hoofdkwartier in New York, een veldkantoor in Bahrein en een pied à terre in een hotel in Bagdad. De inspecteurs – wapenexperts, militairen, wetenschappers en technici – kwamen opvallend genoeg bijna uitsluitend uit Westerse landen en Rusland. Daar zat nu eenmaal de meeste knowhow op het gebied van NBC-wapens, was het excuus. Niet minder belangrijk was dat de wapencommissie informatie van Westerse inlichtingendiensten kreeg toegespeeld. Die mocht niet in handen vallen van onbetrouwbare staten.

Irak heeft weinig pogingen gedaan de aanwezigheid van chemische wapens (mosterdgas en de zenuwgassen tabun, sarin en VX) te ontkennen. Na de oorlog met Iran (1980-1988) en de gifgasaanvallen op de Koerden was dat ook niet meer zinvol. Binnen een half jaar was ook duidelijk dat Irak tot aan 1991 had gewerkt aan een atoombom. IAEA-inspecteur David Kay wist, na een tip, de hand te leggen op de documentatie van het werk. Moeilijker lag het met het raketprogramma waarvan Irak de omvang koste wat kost geheim wilde houden. Ten slotte ontkende Irak, ondanks aanwijzingen van het tegendeel, dat er aan biologische wapens was gewerkt.

Ondanks de Iraakse tegenwerking boekte UNSCOM aanvankelijk grote successen. Maar men begon terrein te verliezen. Er waren competentiekwesties tussen de IAEA van de Zweed Blix en de UNSCOM van de Zweed Ekéus die soms hoog opliepen. En de Veiligheidsraad begon zijn aanvankelijke vastberadenheid te verliezen. Toen tegen het eind van 1992 nog steeds geen tastbaar teken van een biologisch programma was gevonden, concludeerden veel leden van de Veiligheidsraad dat er waarschijnlijk ook helemaal niet zo'n programma had bestaan. En dat over andere wapens voldoende informatie was verzameld. Frankrijk en Rusland, die grote leningen bij Irak hadden uitstaan, vonden dat het tijd werd de economische sancties die Irak in 1991 waren opgelegd op te heffen.

Er onstond steeds meer begrip voor de Iraakse klacht dat de inspecties en de in- en exportcontroles een inbreuk maakten op de Iraakse souvereiniteit. Dat er een onredelijke Brits-Amerikaanse dominantie was in de inspectieteams en dat niet de VN maar de Amerikanen het UNSCOM-beleid bepaalden. En dat UNSCOM niet eindeloos opnieuw steeds weer andere installaties voor inspectie kon aanwijzen. Sommige landen schaamden zich voor het lot van Iraakse kinderen, die volgens het Iraakse regime verhongerden omdat UNSCOM de opheffing van het handelsembargo in de weg stond.

In het voorjaar van 1995 begonnen Frankrijk en Rusland openlijk te pleiten voor beëindiging van het UNSCOM-werk. Opeens kwam er een doorbraak in het onderzoek naar biologische wapens toen Hussein Kamal Hassan, minister van Defensie en zwager van Saddam Hussein, in augustus 1995 de wijk nam naar Jordanië. In de paniek die volgde, vluchtte het Iraakse regime naar voren: men overhandigde UNSCOM-baas Ekéus spontaan vele kisten met informatie over het biologische programma. Irak werkte onder meer aan antrax, en aan de biogiffen botuline en ricine. Met analyse en verificatie van het materiaal was een verblijf van nog eens twee jaar in Irak gerechtvaardigd.

Maar halverwege 1997 vonden Irak en de meeste leden van de Veiligheidsraad het echt welletjes. Zelfs de VS en Engeland drongen er, volgens onthullingen van inspecteur Scott Ritter, bij UNSCOM op aan wat soepeler te worden. De meeste wapenexperts waren er op dat moment van overtuigd dat Irak nog veel belangrijke geheimen had.

Halverwege 1997 vond er ook een machtswisseling plaats bij UNSCOM: de koppige maar behoedzame Ekéus werd opgevolgd door de harde Australische diplomaat Richard Butler. Het Iraakse regime, zich bewust van de sfeerverandering bij de Veiligheidsraad, stelde hem onmiddellijk op de proef. Het blokkeerde UNSCOM-inspecties met als excuus dat er te veel Amerikanen en Britten in de teams zaten. Buiten Butler en UNSCOM om probeerden achtereenvolgens een Russische gezant en Kofi Annan president Saddam Hussein tot redelijkheid te brengen. Irak ging akkoord met een compromis van Annan (een gezant in Bagdad) maar liet het in december 1998 toch weer tot een confrontatie komen. Richard Butler, die Annans actie als verraad beschouwde, trok UNSCOM terug uit Irak en president Clinton liet het land vier dagen bombarderen. Een Iraakse `capitulatie' bleef uit: de inspectieteams mochten het land niet in.

Zo ontstond de impasse die nog steeds bestaat. UNMOVIC, dat eind 1999 werd opgericht maar niet door Irak werd erkend, is niet heel veel anders ingericht dan UNSCOM. Het is ondenkbaar dat Irak de UNMOVIC-inspecteurs zomaar opeens de vrije hand zal geven, al was het maar omdat op voorhand vaststaat dat de Veiligheidsraad nooit meer met `ernstige gevolgen' (militair ingrijpen) zal dreigen als de inspecteurs worden gehinderd. En militair geweld is tot dusver het enige geweest waarvoor het Iraakse regime – soms – wilde zwichten.