Angkor wankelt

De restauratie van het tempelcomplex Angkor Wat in Cambodja is vrijwel onmogelijk. En dan is er ook nog de toeristenplaag.

Ze zijn totaal nutteloos, de Tetrameles nudiflora, maar het zijn wel de meest gefotografeerde bomen van Zuidoost-Azië. Althans de exemplaren die staan in Angkor, een acht eeuwen oud complex van ooit honderden tempels en paleizen, verspreid over vierhonderd vierkante kilometer in het noordwesten van Cambodja. De hoge, lichtgekleurde ficussen staan niet naast de bouwwerken, maar er bovenop. Vogels poepten de zaadjes van de meeste van die snelgroeiende junglebomen honderd, honderdvijftig jaar geleden uit en bemestten ze ook meteen. Wortels gingen op zoek naar water en namen de stenen van een poort, een gang, een muur en soms een hele tempel in een houdgreep. Nu zijn de bomen tientallen meters hoog, hun wortels dik als olifantspoten en zit hun leven er bijna op. De keuze is aan de mens: verwijderen of niet. Haalt hij de boom weg, dan stort alles in, laat hij de boom met rust dan stort ook alles in. Is het niet omdat de ficus de tempel tot puin kraakt, dan wel doordat hij sterft en met cultureel erfgoed en al omvalt.

``Ik sta niet toe dat er nog bomen wortel schieten op de bouwsels.'' Als John Sanday het zegt, dan gebeurt het ook niet. De Britse architect heeft recht van spreken. Hij werkt dertig jaar in Azië en was in 1989 een van de eersten die in Angkor aan de slag gingen. Nu leidt hij de restauratie van drie tempels die zijn baas, het Amerikaanse World Monuments Fund, onder zijn hoede heeft gekregen. ``Correctie, de conservering van drie tempels'', zegt Sanday. Want restauratie is eigenlijk onmogelijk in Angkor. ``Dan zou je alles weer in oorspronkelijke staat moeten brengen. Jungle was er destijds niet, dus dat zou allemaal weg moeten. Dan de oorspronkelijke infrastructuur herstellen, kanalen graven en what have you.'' Dat zou nogal een klus worden. Amsterdam bestond nog niet toen hier rond 1200 één miljoen mensen woonden. Maar het machtige Khmer-rijk waarvan Angkor het centrum was, raakte in verval, de bevolking trok weg, de jungle nam bezit van haar bouwwerken.

De Franse kolonisator vond de plek terug met als middelpunt de machtige Angkor Wat – het grootste religieuze bouwwerk ter wereld. De Khmer hadden geen slechtere plaats kunnen bedenken voor de bouw van dit wereldwonder. In Angkor voltrekt zich elk seizoen een ramp voor elke tempel. Stenen worden tot 50 graden Celsius verhit en koelen dan weer af tot 20 graden. Dan zijn er de extreem droge periodes gevolgd door zware regenval gevolgd door overstromingen. Onkruid, oorlog, vocht, zoutkristallisatie, wind, vogelpoep, kruipende boomwortels: ``Het is al met al tamelijk ongelooflijk dat er nog zoveel staat'', lacht Sanday. ``Gelukkig is dit geen seismische zone. Dan had Angkor het nog geen week volgehouden.''

Tot begin jaren vijftig restaureerden de Fransen wat ze konden en lieten daarna Indochina voor wat het was. Toen Sanday een kleine veertig jaar later naar Preah Khan ging, het complex waarover hij zich moest ontfermen, moest hij even zoeken. Want de jungle had het weer volledig overwoekerd. Door een klein gat in de vegetatie liepen wat mensen in en uit. Erachter lag een lap grond van 56 hectare met in het midden de aan het oog onttrokken ruïnes van een uniek, want boeddhistisch èn hindoeïstisch klooster en religieuze school, compleet met galerijen, bibliotheek en een hal voor dansers. Om het geheel staat een drie meter hoge, drie kilometer lange muur van rode klei met om de veertig meter een zandstenen sculptuur van Garuda, de mensvogel van Vishnu.

Sanday kon aan de slag. Eerst maar eens al dat onkruid wieden. En daar is het eigenlijk bij gebleven. ``We willen Preah Khan laten zien zoals we het dertien jaar geleden aantroffen. Maar die minimale interventie maakt ons werk weinig zichtbaar. We proberen Preah Khan niet te bevriezen. De tempel en de jungle leven hier samen, dat maakt het Preah Khan van nu zo bijzonder. Daarin gaan we niet ingrijpen. Het belangrijkste wat we doen, is onderhoud. Als je voorkomt dat een steen uit een muur valt, voorkom je dat de muur instort; a stitch in time saves nine.''

Angkor is nu vermoedelijk de grootste restauratie-workshop op aarde. Overal staan steigers en klinkt het hoge getik van metaal op steen. Cambodjaanse, Amerikaanse, Duitse, Japanse en Indiase restaurateurs werken aan het hun toegewezen monument. En iedereen hanteert zijn eigen werkwijze. ``In Ta Prohm laten ze de natuur haar gang gaan, maar daardoor gaat die tempel verloren'', heeft Sanday gezien. ``Anderen proberen juist een hoop stenen weer op te bouwen, te restaureren dus. Daar geloven wij niet in.''

Maar afkeuren kan Sanday het ook niet. Dat doen de theoretici maar. Neem Preah Khan. Tot hun vertrek hebben de Fransen met cement en beton de tempel op veel plekken ondersteund. Ander restauratiemateriaal was er niet. ``We hebben vrijwel al het Franse cement verwijderd. Het was van slechte kwaliteit, valt nu uit elkaar en bedreigt daarmee de bouwwerken. Maar stel dat de Fransen helemaal niets hadden gedaan. Dan zouden wij in 1989 alleen een enorme berg stenen hebben aangetroffen. Restauratie is niet per definitie slecht.''

breekbaarheid

Zeker niet volgens de methode die Nederlanders begin vorige eeuw op de Borobodur op Java hebben toegepast: anastylosis. Het nauwgezet ontmantelen van een monument en het zonder gebruik van vreemde materialen op de klassieke wijze weer in elkaar zetten. Fransen kopieerden de methode in Angkor met Banta Srei als meest geslaagde voorbeeld. Deze bescheiden maar beeldschone roze zandstenen tempel twintig kilometer van Angkor Wat heeft de best bewaarde en meest gedetailleerde decoraties van Angkor. De breekbaarheid straalt er aan alle kanten van af. Hier en daar staat een eenzaam muurtje, schots en scheef geduwd door boomwortels. Als in een samenzwering tussen aarde en monument blijft de muur staan.

``Stylosis is pilaar en ana wil zeggen: rechtop zetten. Zo simpel is het eigenlijk.'' Maar het liefst blijft Sanday overal van af en laat hij de natuur het zelf uitvechten met wat de mens heeft voortgebracht. Maar er zijn grenzen, zeker als de mens dreigt te verliezen. Zoals met de oostelijke gopura, het toegangspaviljoen van de kleine, stille tempel van Ta Som. Op die poort staat een weelderige jungleboom. Tientallen wortels krioelen door het bouwwerk, hier en daar lijken stenen van statenbijbelformaat te twijfelen: zal ik me ter aarde storten of nog even tussen het hout blijven zitten. ``Volgens de anastylosis-methode zouden we elke steen nummeren, dan steen voor steen afbreken, de boom verwijderen en de poort weer steen voor steen opbouwen. Restauratie is bij lange na niet zo precies. Dat is gewoon: boom omhakken, hopen dat alles blijft staan en dan de zaak verstevigen.''

Wacht even: boom verwijderen? Maar àls er mensen naar Ta Som komen is de enige reden juist die boom. Toeristen betalen twintig tot zestig Amerikaanse dollars om alle tempels te zien. Geen toerisme, dan geen geld en dus geen restauratie of monumentenbehoud. Maar ook geen onherstelbare beschadigingen. Toeristen, filosofeert de regeringsfunctionaris die Angkor leidt, zijn als de Tetrameles nudiflora die de bouwsels waarop ze staan zowel bij elkaar houden als kraken. ``Toerisme vernietigt en ondersteunt tegelijk'', zegt Seung Kong. Hij is directeur van Apsara, de autoriteit die namens de Cambodjaanse regering de bescherming van Angkor én de ontwikkeling van het toerisme voor haar rekening neemt. ``Inderdaad een wat paradoxale taak.'' Hoe vervult Apsara die zoal? ``Binnenkort moeten alle bezoekers schoenen met zachte zolen dragen'', heeft Seung Kong verordonneerd. Mooi gebaar, ware het niet dat vrijwel elke toerist dat al doet.

Niets in Cambodja kan met zo'n beperkte overheidsinspanning zoveel solide Amerikaanse dollars genereren als de krioelende toeristen op Cambodja's eigen wereldwonder. Vorig jaar waren dat er 400.000, wat buitenlandse restaurateurs betreft precies goed bij sommige tempels heerst nog een lome rust. Maar voor Cambodja en Apsara is dit aantal hooguit een aardig beginnetje. Ze willen zo snel mogelijk één miljoen toeristen per jaar hebben, liefst twee.

Overal in Siem Reap, de stad die de poort tot Angkor vormt en waar Apsara zetelt, hoor je hetzelfde getik als rond de tempels. Maar dan veel harder. Het komt van de tientallen plekken in de stad waar in een opmerkelijk tempo hotels worden gebouwd, hoe meer kamers hoe beter. De bouw begint al zijn tol te eisen. Seung Kong vertelt dat daardoor waterwegen verstopt raken en het grondwaterpeil verandert waardoor de tempels dreigen te verzakken. Maar in één adem kondigt hij aan dat onder toezicht van zijn Apsara elders nog veel meer hotels gebouwd zullen worden. De `Angkor-autoriteit' heeft zich een stuk grond van duizend hectare toegeëigend waarop de tempels `Angkor Tourist City' moet komen. Ook het internationale vliegveld vlakbij de tempels wordt flink uitgebreid. Nota bene een onderzoek van Aspara zelf geeft aan dat de tempels al die toeristen niet aankunnen.

Zeven kilometer verderop en ongeveer twaalf meter boven de grond staat Long Nary op een steiger een bas-reliëf van Angkor Wat te injecteren met ethylsilicaat. Het spul moet de structuur herstellen van de bewerkte zandsteen waarmee het enorme bouwwerk is gedecoreerd. De Cambodjaan leidt twaalf landgenoten die zo te zien voor enkele honderden manjaren werk hebben om millimeter voor millimeter te redden wat er te redden valt. De tempel heeft alle denkbare natuurrampen overleefd, maar staat volgens de 34-jarige Long Nary nu voor de zwaarste test: hordes toeristen. Velen klimmen en klauteren over de kwetsbare bouwsels en er zijn op een muur in Angkor Wat zelfs graffiti aangetroffen. Sommige toeristen kopen ornamenten en beeldjes die plaatselijke verkopers van de tempels afbreken of die vanzelf naar beneden zijn gekomen. Tot voor kort beschadigde niets de tempels zo erg als roof. Zelfs met kettingzagen werden hoofden van beelden afgezaagd.

injectiespuit

Consolideren is het stopwoord van Long Nary. ``Wat ik onder restaureren versta, is voorkomen dat dat overgebleven halve beeldje kapot valt.'' Hij pakt een injectiespuit vol fiberglas. Hij klopt op de plek waarachter de punt van de naald moet uitkomen: een dansende figuur die zo te zien stevig aan de rest van de tempel vastzit. Maar het geluid is hol. ``Dit kan elk moment naar beneden vallen. Dat is Angkor: wat er solide uitziet is vaak enorm fragiel.''

Het 65 meter hoge centrale heiligdom van Angkor Wat bevat veel ramen met daarin de als hout bewerkte spijlen van steen die karakteristiek zijn voor de Khmer-stijl. Long Nary: ``Een toerist wil van het uitzicht genieten, gaat uit het raam hangen, houdt zich vast aan zo'n `collonette' die krakend breekt. Daar kan geen natuurkracht tegen op.'' De tweestrijd die aan Angkor kleeft vernietigen versus ondersteunen, ingrijpen of niet, toerisme ja of nee voelt Long Nary persoonlijk. Hij is trots dat hij het bouwwerk mag restaureren dat op de vlag van Cambodja staat en zou willen dat zoveel mogelijk mensen het resultaat van zijn inspanningen komen zien. ``Maar tegelijkertijd weet ik dat juist die toeristen mijn werk kapot kunnen maken.''