Amerika moet weer leren luisteren

Anti-Amerikanisme is niets nieuws maar het neemt zo langzamerhand verontrustende vormen aan. Als het Witte Huis het nodig vindt om tegen de stroom van de internationale opinie in te zwemmen, moet het uitleggen waarom en alternatieven aandragen, vindt Clyde Prestowitz.

`Als het zo doorgaat, heeft Amerika straks de hele wereld tegen zich.'' Die opmerking was van een vooraanstaand leider in Kuala Lumpur tijdens een reis die ik onlangs maakte langs veertien Aziatische, Europese en Latijns-Amerikaanse hoofdsteden. Het was één van de honderden uitingen van een nieuwe, verontrustende verwijdering tussen Amerika en de rest van de wereld.

Wat een contrast met de meelevende houding in het buitenland onmiddellijk na 11 september vorig jaar. Toen vatte de soms anti-Amerikaanse Franse krant Le Monde het gevoel in de wereld samen onder de kop: `Wij zijn allemaal Amerikanen.' Elf maanden later wordt het beeld van de Amerikanen steeds negatiever en is de buitenlandse steun voor de Amerikaanse politiek drastisch gedaald – als gevolg van Amerikaanse acties zoals het dreigement van vorige week om de vredeshandhavers uit Bosnië terug te trekken als de Amerikanen niet buiten de jurisdictie van het Internationale Strafhof worden gehouden.

Natuurlijk is anti-Amerikanisme niets nieuws, maar wat ik wel verontrustend vond was dat de ontzetting werd verwoord door buitenlandse leiders die sinds jaar en dag met de Verenigde Staten bevriend zijn.

Weliswaar uiten de meeste buitenlandse commentatoren hun verbondenheid met de Amerikanen als volk, maar ze geven blijk van een groeiende afkeer van de Verenigde Staten als land en merken over 11 september dikwijls op dat ,,Amerika nu ook weet hoe het voelt''. Ze betonen zich voldaan dat Amerika nu ook eens inziet hoe het is om kwetsbaar te zijn. En ze hopen dat onze tragedie misschien leidt tot bescheidenheid en de Amerikaanse arrogantie inzake thema's als energiebeheer, broeikaseffect en wereldarmoede minder wordt.

Veel mensen in het buitenland zijn er inmiddels van overtuigd dat de Verenigde Staten eropuit zijn hun lot te bepalen en dat ze wel praten over democratie, mensenrechten en vrije handel, maar in feite alleen maar aan hun eigen beperkte belangen denken. In Seoel bijvoorbeeld wordt de Amerikaanse vijandigheid tegen Noord-Korea gezien als een ondermijning van de inspanningen van president Kim Dae Jung om het Noorden voor zich te winnen.

Verscheidene hoge Zuid-Koreaanse leiders vertelden mij dat Washington niet inziet of wenst in te zien dat Zuid-Korea zich niet kan veroorloven een instortend Noord-Korea in te lijven. ,,Hoe kunnen wij Washington duidelijk maken dat we een lange overgangsperiode nodig hebben, en dat we een plotselinge instorting van het Noorden moeten voorkomen in plaats van versnellen?'' vroeg een vooraanstaande Koreaanse onderhandelaar.

Volgens anderen in Azië zijn de Verenigde Staten te bekrompen in hun benadering van Peking en ongevoelig voor de sentimenten in het gebied. In China heerst alom teleurstelling en wrok over de recente Amerikaanse aanduiding van China als `strategische concurrent in plaats van strategische bondgenoot', en over de verklaring van de president dat Amerika ,,zal doen wat nodig is'' om Taiwan te verdedigen. Beide uitspraken worden als nodeloos vijandig beschouwd. ,,Wij willen handelen met Amerika, niet vechten'', zei een functionaris in Shanghai.

In zes weken reizen heb ik vaak gehoord dat de Verenigde Staten weliswaar praten over beginselen, maar dat ze hun morele overtuigingskracht vaak ondergraven door cynisch hun nationale belangen na te streven. Zo ontving het Witte Huis onlangs de Maleisische premier Mohamad Mahathir. Nog maar enkele jaren geleden werd Mahathir door Washington afgekraakt omdat hij bij de financiële crisis van 1997 de kapitaalmarkten beperkingen oplegde en omdat hij de mensenrechten schond met de gevangenneming van zijn vice-premier op beschuldiging van homoseksuele activiteiten. De oud-minister zit nog altijd in de gevangenis en er heersen nog altijd beperkingen op de kapitaalmarkten, maar Mahathir is nu de lieveling van Washington omdat hij hard optreedt tegen terreur. Voor sommigen bewijst de Amerikaanse houding de onoprechtheid van de zogenaamde verknochtheid aan de mensenrechten en de vrije handel.

Het beeld van de Amerikaanse arrogantie en dubbele moraal is nog versterkt door de handelspolitiek. Generaties Amerikaanse onderhandelaars hebben er bij Japan, de Europese Unie en anderen op aangedrongen de landbouwsubsidies te verminderen en hun markten te openen op politiek gevoelige terreinen als computerchips, films, rundvlees en rijst. Tot verontwaardiging van die landen hebben de VS nu met een beroep op de politieke noodzaak hun eigen landbouwsubsidies verhoogd en de invoer van staal en hout aan banden gelegd.

De verwijdering heeft tal van oorzaken, maar twee thema's torenen ver boven alle andere uit: het Israëlisch-Palestijnse conflict en het Amerikaanse unilateralisme.

De kloof tussen de Amerikaanse kijk op het Midden-Oosten en die van vrijwel ieder ander zou niet breder kunnen zijn. De Amerikanen zien Israël min of meer als een bondgenoot. De gebeurtenissen van 11 september en de zelfmoordaanslagen van de laatste tijd hebben de nauwe Amerikaanse vereenzelviging met Israël alleen maar versterkt. Maar de mensen die ik in het buitenland ontmoet veroordelen weliswaar de zelfmoordaanslagen en leven mee met de Israëlische slachtoffers, maar wijzen ook op het feit dat de Palestijnen al bijna veertig jaar op dubieuze gronden onder een bezetting leven.

Overal waar ik kwam beklemtoonden de leiders dat het niet eerlijk is om op te roepen tot beëindiging van het Palestijnse geweld zonder te spreken over de Israëlische uitbreiding van de nederzettingen. Maar in de ogen van onze buitenlandse vrienden zijn de Verenigde Staten om binnenlands-politieke redenen niet bereid Israël te weerstaan of onder druk te zetten.

De Verenigde Staten behandelen het Israëlisch-Palestijnse conflict vaak als een plaatselijk geschil dat bedwongen kan worden, maar het slaat over naar elders. Het radicaliseert de standpunten in landen als Indonesië en Maleisië. Dat zijn beide strategisch belangrijke landen waar van oudsher een liberale islam wordt beleden, en die geen belangrijke economische of politieke banden met het Midden-Oosten hebben. Toch komt ook daar in elk gesprek de Israëlisch-Palestijnse situatie aan de orde en trekken velen, ook oude vrienden van Amerika, de conclusie dat de Verenigde Staten het op de islam zelf gemunt hebben.

Nog ernstiger is het buitenlandse beeld van een nieuw Amerikaans unilateralisme. Door een aantal Amerikaanse acties – onze afwijzing van het verdrag van Kyoto over het broeikaseffect, de aanvankelijk afgeslagen NAVO-hulp in Afghanistan, de afwijzing van akkoorden tot de instelling van een Internationaal Strafhof, een verbod op landmijnen en een beperking van chemische en biologische oorlogvoering, plus de Amerikaanse afkondiging van een first strike-politiek die zich uit zou kunnen strekken tot een aanval op Irak – zijn buitenlandse waarnemers ervan overtuigd geraakt dat de Verenigde Staten geen behoefte meer hebben om hun vrienden te raadplegen of misschien zelfs wel geen behoefte meer aan vrienden hebben.

Een Europese topondernemer en gewezen EU-commissaris die sinds jaar en dag tot Amerika's beste vrienden wordt gerekend zegt: ,,Na de Tweede Wereldoorlog was Amerika oppermachtig en vormde het een nieuwe wereld door zijn nationale belang min of meer zodanig te formuleren dat het voor andere landen aantrekkelijk werd om hun belangen gelijkluidend aan die van Amerika te formuleren.'' De Verenigde Staten steunden vooral de vorming van wereldorganen, en een fatsoenlijke rechtsgang en rechtsorde. ,,Maar nu'', zegt hij, ,,zijn jullie weer oppermachtig en bevindt de wereld zich weer in een tijd van herstructurering, en lijken jullie zonder met iemand te praten alles de rug toe te keren waar je een halve eeuw voor hebt gestreden, en jullie belang uitsluitend te formuleren in het kader van je eigen onmiddellijke militaire veiligheid.''

Een Mexicaanse minister merkte op dat Amerika zich weliswaar niet overal geliefd kan maken, maar dat de prijs wel erg hoog wordt als iedereen een hekel aan je heeft. ,,In een tijd van mondiale onderlinge afhankelijkheid heeft zelfs een hypermacht vrienden nodig'', zei hij. De Verenigde Staten moeten meer dan lippendienst bewijzen aan de opvattingen van anderen. Als het Witte Huis het nodig vindt om tegen de stroom van de internationale opinie in te zwemmen, dan moet het uitleggen waarom en met alternatieven komen.

Vaak is de vorm even belangrijk als de inhoud. Zoals een redacteur in Tokio opmerkte: ,,Stel je eens voor hoe anders de reactie zou zijn geweest op de Amerikaanse afwijzing van het verdrag van Kyoto als de VS in het openbaar waren ingegaan op de tekortkomingen van het verdrag en een tegenvoorstel hadden gedaan in plaats van alleen maar te zeggen dat het verdrag niet goed was voor de Amerikaanse economie.''

Het Congres zou een belangrijke rol kunnen spelen. Dat heeft de bevoegdheid om zich te bemoeien met de buitenlandse politiek en de begroting te beïnvloeden. Bij de uitoefening daarvan houdt het uitgebreide hoorzittingen. Maar het roept zelden buitenlandse getuigen op. Stel dat voor een Congrescommissie een Amerikaanse handelsvertegenwoordiger tegenover de Europese Commissaris voor de Handel zou komen te staan. Dan zouden het Congres en het Amerikaanse volk beter worden geïnformeerd, terwijl onze vrienden in het buitenland zich misschien minder gefrustreerd zouden voelen, doordat ze ons in het openbaar konden zeggen wat ze nu alleen privé bekennen.

Nog belangrijker zou zijn dat Amerika door meer aandacht aan zijn vrienden te besteden voorkomt dat het kostbare goodwill verspeelt, zodat het nooit `Amerika tegen de wereld' zal worden.

Clyde Prestowitz is verbonden aan het Economy Strategy Institute. Hij was Amerikaans handelsonderhandelaar onder de regering-Reagan.

© LAT-WP Newsservice