We willen alles en we willen het nu

Het leven in neoliberaal Nederland is steeds heftiger en vitaler geworden. Maar die ontketening brengt ook gevaren met zich mee en roept van de weeromstuit de utopie op van volmaakte veiligheid.

Ons denken over criminaliteit geeft sinds het midden van de jaren negentig een ingrijpende verandering te zien. Vormen van zinloos geweld leidden tot stille tochten waar duizenden burgers aan deelnamen. Vormfouten en te lage straffen zorgden voor publieke opwinding. Er werden in hoog tempo gevangenissen bijgebouwd. Een groot deel van de bevolking klaagt over onveiligheid. En men vindt dat het opsporingspercentage hoger moet. Met andere woorden: de hele samenleving lijkt in de ban van veiligheidsvraagstukken en eist van de overheid een krachtig optreden.

De grote vraag is: waar komt deze wijziging vandaan? En welke houding moeten journalisten, politici en wetenschappers aannemen? Met zijn poging om deze vragen te beantwoorden reikt de criminoloog Hans Boutellier verder dan gangbare verklaringen. Natuurlijk, het aantal mishandelingen ging vanaf 1970 omhoog en dat geldt ook voor de kans om slachtoffer te worden van een overval. Maar de zaak heeft ook een beschouwelijke kant. Daarbij gaat het om de vraag hoe burgers over veiligheid en misdaad denken, de beelden die ze in hun hoofd hebben en om de impliciete verlangens die veiligheid tot een obsessie maken.

Boutellier stelt zich met De veiligheidsutopie ten doel `een criminologische diagnose te geven van een cultuur die steeds meer in het teken is komen te staan van de spanning tussen vitaliteit en veiligheid'. Volgens hem is die spanning onvermijdelijk. Enerzijds moet het bedrijfsleven steeds risico's aangaan, is het uitgaansleven gericht op heftige ervaringen en wordt het openbare leven doortrokken van seks en pornografie. Met andere woorden: wij streven een voortdurende intensivering van het leven na. Anderzijds zou de maatschappij onleefbaar worden als deze vitaliteit niet wordt afgeremd. Daarom zal die intensivering van het leven telkens wetgeving, strafrecht en uiteindelijk de moraliteit oproepen. Teneinde de liberale vrijheid uitbundig te vieren, moet zij begrensd worden.

Dit laatste zien veel burgers als een belangrijke functie van het strafrecht. Dat zou een cruciale rol spelen bij de handhaving van gedragsregels, bij de bestraffing van wangedrag en bij hulp aan het slachtoffer. Op dat punt heeft Boutellier nogal wat reserves. Volgens hem wordt het strafrecht overvraagd, niet alleen kwantitatief (er is onvoldoende capaciteit), maar ook kwalitatief (strafrecht kan geen maatschappelijke problemen oplossen). Het zou veel beter zijn buiten de procedures van het strafrecht meer aandacht te schenken aan het slachtoffer, bijvoorbeeld door werk te maken van herstelrecht (waarbij de veroordeelde de aangerichte schade moet goed maken) en bemiddeling. Nóg belangrijker is dat burgers en instellingen, bedrijven en buurten, scholen en overheden de handen ineenslaan om de uitwassen van het vitalisme te beteugelen.

Utopie

Daarmee wordt duidelijk dat Boutelliers boek een politieke strekking heeft. Hij onderzoekt weliswaar de achtergronden van het huidige klimaat maar dat betekent niet dat hij een harder optreden onderschrijft. Zelf verwacht hij meer van een nieuw sociaal elan waarbij sociaal en justitieel beleid elkaar op lokaal niveau versterken. Zo'n aanpak vooronderstelt een krachtige normatieve opstelling die gestalte moet krijgen in het concrete gedrag van hulpverleners, onderwijskrachten, welzijnswerkers en politiefunctionarissen.

Een van de zaken die aan De veiligheidsutopie het meest bevallen is dat het boek een serieuze prikkel geeft tot nadenken. De auteur draagt weliswaar de nodige empirische gegevens aan, maar in wezen is het hem te doen om een filosofische probleemstelling. Hoe moeten wij spreken over criminaliteit of veiligheid? Welke gevolgen brengen de gehanteerde begrippen met zich mee? Daarbij maakt hij op een verrassende manier gebruik van het begrip utopie. Die term verwijst naar het verlangen dat ten grondslag ligt aan onze handelingen en beweringen. Wij dromen ons een veilige wereld die als tegenhanger van de werkelijkheid op de toekomst wordt geprojecteerd.

Wat vervolgens bevalt is dat Boutellier deze utopie ziet als het dialectisch tegendeel van ons heftige vitalisme. Hij typeert haar als `het onmogelijke verlangen naar het samengaan van vitaliteit en veiligheid'. Toch is zij geen afwijking van overbezorgde burgers. Juist de intensivering van het leven brengt de droom van rust en orde met zich mee. Dat geldt in extreme mate voor de criminele levensstijl. Binnen de heftigheid van onze huidige cultuur is crimineel gedrag niet langer een schending van hoge normen, ze komt heel simpel neer op één van de meest verleidelijke opties. Snel geld, spanning zoeken, indruk maken, machtswellust, het zijn de extreme vormen van een ervaring die in de hedendaagse samenleving heel gewoon geworden is. Zolang die ervaringen zich opdringen, zal veiligheid onze ultieme droom blijven.

Tenslotte bevalt mij dat het boek van Boutellier een normatieve strekking heeft. Niet dat hij zich veel illusies maakt. Hij erkent dat morele gevoeligheid niet rationeel te funderen valt en op allerlei manieren te misbruiken is. Wat dat betreft zijn de lessen van Marx, Nietzsche en Freud inmiddels geleerd. En inhoudelijk geeft elk moreel engagement aanleiding tot onenigheid. Niettemin stelt Boutellier een herwaardering van het morele denken vast. Wat ons bindt zijn niet zozeer de positieve doelen die we nastreven, maar datgene wat we afwijzen zoals wreedheid, vernedering of onnodig leed. Het gaat om een moreel minimum dat niet alleen in het strafrecht maar evengoed in andere sectoren van het maatschappelijk leven aanwijsbaar is.

De veiligheidsutopie roept zoals gezegd ook twee vragen op. De eerste raakt aan het uitgangspunt dat ons streven naar maximale vrijheid of vitaliteit enerzijds en het streven naar veiligheid anderzijds elkaar uitsluiten. Strikt filosofisch kan men dat volhouden. Zolang het gaat om abstracte begrippen of algemene beginselen lijken vrijheid en veiligheid elkaars tegenpool. Maar is dat ook in de sociale werkelijkheid ook zo? Veel mensen zoeken in hun leven naar een balans of compromis waarin beide aspiraties tot hun recht komen. Dat wordt ook geïllustreerd door de omslag van het boek waarop het silhouet van een bungyjumper is afgebeeld. Juist bij die sport kan men het streven naar een vitale kick en het vermijden van grote risico's verenigen. Dat lijkt mij ook te gelden voor andere levensgebieden zoals het werk, liefdesleven, vakantie enzovoorts. Veel burgers zoeken een uitdaging, zonder dat het echt gevaarlijk wordt. In die zin gaat het niet om een onoplosbare paradox maar om een levenskunst die op zeer alledaags niveau gestalte krijgt.

Een tweede vraag betreft de historische ontwikkeling en de rol die het strafrecht daarin speelt. Boutellier is er kennelijk van overtuigd dat de huidige maatschappij veel complexer is dan de vroegere en dat een harder, repressief beleid niet zal helpen. Hij verwacht meer heil van een sociaal beleid en de versterking van het normbesef. Ook hier is de vraag in hoeverre beide opties elkaar uitsluiten. Misschien heeft het pleidooi voor meer normbesef wel baat bij een stok achter de deur in de vorm van een harder strafklimaat. Dat was ook het geval bij het burgerlijk beschavingsoffensief in de negentiende eeuw. Die strijd werd gevoerd op verschillende fronten: de kerk streed op het morele front en probeerde haar waarden op te leggen, de overheid nam op het politieke front initiatieven als woningbouw, sociale wetgeving en sanitaire voorzieningen, en particuliere burgers spanden zich in voor het onderwijs. Maar daarnaast speelde het strafrecht een niet te onderschatten rol. Het dwong bij de bevolking de acceptatie van al die andere initiatieven af en daarbij ging het er niet zachtzinnig aan toe. Misschien is zo'n aanpak opnieuw wenselijk. De geschiedenis leert in elk geval dat strengheid en beschaving elkaar niet noodzakelijk uitsluiten, zoals voorstanders van het gedogen lange tijd gedacht hebben.

Pornografie

Eén hoofdstuk in De veiligheidsutopie stelt teleur, dat over de pornografische context van zedendelicten. Boutellier heeft gelijk dat pornografische beelden door een combinatie van techniek en vrije markt tot in de kleinste uithoeken van het openbare leven zijn doorgedrongen. Het opmerkelijke is dan, dat de omgang tussen man en vrouw de afgelopen decennia juist veel prudenter werd en dat mannen het niet in hun hoofd moeten halen om hun vrouw te behandelen zoals in een pornofilm gebeurt. Boutellier past zijn analyse van de utopie ook op dit verschijnsel toe, maar erg overtuigend is dat niet. Dat komt omdat hij pornografie als sociaal gedrag beschouwt, terwijl het primair om verbeelding respectievelijk beeldproductie gaat. Een interpretatie die het onderscheid tussen fantasie en handelen uit het oog verliest, slaat de plank mis.

Maar dit ene zwakke punt wordt in de andere hoofdstukken ruimschoots goed gemaakt. De veiligheidsutopie onderscheidt zich door een gewaagde vraagstelling en afgewogen formuleringen. Het vergaat de lezer op dezelfde manier als de springer die het omslag siert. Hij beweegt zich met enorme vaart door het huidige mentale landschap en maakt daarbij van alles mee dankzij het feit dat hij intellectueel gedragen wordt. Het zou mooi zijn als méér intellectuelen deze tak van sport beoefenden.

Hans Boutellier: De veiligheidsutopie. Boom juridische uitgevers, 198 blz. €24,–