Voor de Führer niet bang

Terwijl Bayreuth weer davert van de Festspiele, werpt Brigitte Hamann nieuw licht op de veelgesmade nazi Winifred Wagner. Haar eenzame huisvriend Adolf, `Onkel Wolf', vond ze een ware leider. Maar van de vulgaire patjepeeërs in zijn kielzog moest ze weinig hebben. Met Hitler aan het haardvuur.

Nog in 1975 zei Winifred Wagner verliefd: `Kwam Hitler hier vandaag door de deur naar binnen, dan zou ik net zo vrolijk en gelukkig zijn om hem te zien als altijd.' Niets en niemand kon de oude dame haar geloof in de Führer ontnemen. De schoondochter van componist Richard Wagner had één door hem bezongen deugd als het om Adolf Hitler ging tot ware religie verheven: de Nibelungentreue, de trouw tot in de dood.

Winifred Wagner, het meest omstreden lid van de toch al omstreden Wagner-clan, is een prachtig onderwerp voor een biografie. Alleen durfde tot dusver niemand er zijn vingers aan te branden. Weliswaar maakte Hans Jürgen Syberberg een film met en over haar. En een nationaal-socialistische kennis van Winifred schreef over haar een onfris boekje. Maar de echte biografie is er nu pas. Winifred Wagner van de Weense historica Brigitte Hamann verenigt inleving en klinische precisie, betrokkenheid en nuchtere distantie. Hamann veroordeelt haar object niet, maar ze doet ook geen moeite om Winifreds fouten te verdoezelen. Ze probeert op alle fronten fair te zijn – óók jegens Hitler, aan wie het tweede deel van de titel gewijd is. Winifred Wagner oder Hitlers Bayreuth, zoals haar boek voluit heet, sluit naadloos aan op haar bestseller Hitlers Wien.

Daarin beschreef Hamann het leven van de jonge Adolf Hitler in Wenen: zijn arstistieke aspiraties, zijn geneuzel in obscure antisemitische blaadjes, zijn kennismaking met Wagners opera's, zijn logies in tehuizen voor dakloze mannen en zijn afkeer van het grote Wenen waar hij zo jammerlijk mislukte. Hitlers Wien houdt op in 1913, als Adolf Wenen verlaat om zijn geluk in München te beproeven. Winifred, zo lezen we in Winifred Wagner oder Hitlers Bayreuth, woont dan nog bij haar pleegouders in Berlijn. Ze is een Engels weeskind dat op haar negende naar verre verwanten in Duitsland werd gestuurd om te genezen van een ernstige huidaandoening. Bij het oude echtpaar dat haar in huis opneemt, stopt haar huid abrupt met bloeden want Winifred voelt zich er lekker. Ze hoort er constant muziek van Wagner, op de piano gespeeld door haar pleegvader die een levendige correspondentie met Wagners weduwe Cosima voert. Karl Klindworth, bejaard muziekdocent, deelt behalve de bezetenheid van Wagners opera's met Cosima ook een politieke visie, en die is antidemocratisch, antisemitisch en antimodern. Winifred zuigt die visie in zich op en kort na Hitlers verhuizing naar München gaat ook zij naar Beieren: naar het legendarische provincienest Bayreuth.

Daar kijkt en luistert zij samen met haar pleegvader naar de generale repetitie van de Festspiele. Parsifal, Der fliegende Holländer en de complete Ring: het meisje is in de zevende hemel. Met in haar hart de mannenredderswens van Senta, de Holländer-heldin naar wie zij zich al een tijdje vernoemt, ontvangt Winifred de blikken van de man die zij later bijna net zo trouw zal beschermen als Hitler. Die man is Siegfried Wagner, artistiek leider van de Festspiele en Richards enige zoon. `Zijn blauwe ogen betoverden mij', schrijft `Senta' aan een vriendin. Het is dan 1914. Een jaar later treden de 46-jarige Festspielchef en de 18-jarige wees in het huwelijk. Algauw is zij de first lady van Bayreuth, de zakelijk leidster, de gastvrouw van Festspielhaus en huize Wahnfried. En al vanaf 1919, dringen in Bayreuth berichten binnen over de opkomst van de politicus Adolf Hitler.

Voor zijn partij halen de Wagners hun neus op want die vinden ze ordinair en rellerig. Maar de leider wekt enthousiasme. Zijn vermogen de taal van het volk te spreken, zijn kunstzinnigheid en zijn gloeiende ijver voor de nationale zaak: dat alles zet de Wagners en de hunnen in hectische beweging. Geduldig brengen Münchense vrienden de onbeholpen Oostenrijkse provinciaal goede manieren bij, waarna hij op elegante ontvangsten schittert. Hij leert er invloedrijke mensen kennen die hem van geld voorzien. Geruchten over een door hem geplande coup worden in huize Wahnfried met gejuich ontvangen. De tijden zijn turbulent: met massale werkloosheid, honger en een hollende inflatie is het volk bereid om óf voor de communisten óf voor de nazi's te vechten. Liever een revolutie van rechts, vindt de familie Wagner, en tevreden laat zij zich vertellen over Hitlers oorverdovende succes bij zijn eerste openbare optreden in Bayreuth.

Adolf leert zich te gedragen en Winifred leert details over de `schuldigen' aan het Duitse ongeluk, de joden. Dat leert ze van haar zwager Houston Stewart Chamberlain, een geleerde die veelgelezen boeken over `de joodse samenzwering' heeft geschreven. En van haar man, die joodse kunstenaars verafschuwt omdat zij de Duitse cultuur door het slijk zouden halen. Maar de antisemitische hetzes van Hitlers partij gaan haar toch te ver. Hoe groot is dan ook haar opluchting wanneer Hitler bij dat fameuze optreden in Bayreuth netjes zijn mond over de joden houdt. De gebruikelijke scheldtirades laat hij slinks aan zijn partijvriend Julius Streicher over, en vanaf dat moment is voor Winifred Wagner niet Hitler maar Streicher de man van de vulgaire jodenhaat. Zoals het in haar ogen steeds de andere partijbonzen zijn die de stomme dingen doen: Hitler zelf blijft engeltjesrein en niets staat een bezoek aan Wahnfried nog in de weg.

Op 1 oktober 1923 komt Adolf Hitler dan eindelijk langs en hij treft een gezin met vier schattige blonde kindertjes aan, twee jongens en twee meisjes. Winifred heeft op haar zesentwintigste haar taak, het verjongen van de Wagner-dynastie door nageslacht te baren, al ruimschoots volbracht. Ze zoekt een nieuwe taak, ze wil Hitler helpen. Ze vindt hem `hoogbegaafd' en `veelzijdig geïnteresseerd' en bovenal is hij `een Wagner-enthousiast en een Wagner-kenner'. Dat zit wel goed. Voortaan mag Hitler wanneer hij maar wil in villa Wahnfried komen logeren, en hij zal dat graag en dikwijls doen, aangetrokken als hij zich voelt tot de nestwarmte daar en de kunstzinnige sfeer. `Onkel Wolf!' roepen de kinderen blij wanneer Adolf weer eens onaangekondigd opduikt, bij voorkeur diep in de nacht, waarna, ook bij zomerse hitte, het haardvuur moet worden ontstoken ter verheviging van de idee van onschuldige huiselijkheid. Winifreds dochter Friedelind beschrijft een van die sessies (in augustust 1938) als volgt: `De gasten probeerden hun gegaap te onderdrukken. Mevrouw Goebbels nam stiekem een trekje van haar sigaret, die ze onder de tafel verborgen hield. Om ons wakker te houden organiseerden we een concert. Moeder kraaide als een haan, de zangeres Germaine Lubin gaf een meesterlijke voorstelling in de rol van een tortelende duif, en ik deed mijn best als eend. Eindelijk kregen we ook daar genoeg van, alleen Hitler deed zijn mond nog open.'

Opwindender herinneringen komen van de aanwezigen bij een receptie (ook in 1938), na afloop van Wagners Parsifal. Babbelend, vertellen Winifred en anderen, ging Hitler van het ene artiestengroepje naar het andere. Hij klaagde over de ellende van het dragen van een jacquet, waarin je zo vreselijk zweet. Hij oreerde over zijn lievelingsthema, het roken. `Wij zadelden hen op met het vuurwater, maar de indianen hebben zich danig gerevancheerd', meende hij. `Want zij stuurden de nicotine over de Atlantische Oceaan naar ons toe.' En, hoogtepunt van de avond, hij vertelde het verhaal van de linzen. `Bij een dineetje had ik linzen besteld. Aan de dame naast me vroeg ik of zij ook zo van linzen hield. ,,Daar doe ik een moord voor', antwoordde zij. Ik gaf haar mijn portie, hoewel ik die dolgraag zelf zou hebben opgegeten. Na het eten bekende ze dat ze eigenlijk helemaal niet van linzen hield. Zo vals zijn de vrouwen.' Hartelijk gelach, want de betreffende dame is op de receptie aanwezig en zeer gevleid door de aandacht die Hitler haar schenkt.

Voor ons zijn Hitlers humor, zijn menselijkheid en gewoonheid een regelrechte schok. Liever zouden we hem en zijn collega-dictators in de categorie van de monsters plaatsen, een categorie ver weg van al het bekende en aardse. Maar Hamann geeft aan die infantiele wens geen gehoor. Haar Hitler heeft beminnelijke kanten, hij is in staat tot grappen, hartelijkheid, ontroering en charmante handkussen. Je hoeft niet intiem met een coming man te zijn om voor zijn aura te bezwijken. En ben je wél intiem, zoals destijds Winnie (het koosnaampje dat Hitler haar gaf), dan krijg je nog meer cadeau. Geld voor de noodlijdende Festspiele bijvoorbeeld – althans, na Hitlers machtsovername in 1933.

Omdat Hamann vooral uit privébrieven van Winifred Wagner put beziet ze de geschiedenis voor een deel vanuit het perspectief van haar protagoniste. Een biograaf kan nog zo afstandelijk zijn, hij moet toch dicht bij zijn object zien te komen. Zo lijkt de onpartijdige biografe Brigitte Hamann soms tóch partij voor Winifred Wagner te kiezen. Omdat ze haar zonder censuur aan het woord laat, rijkelijk uit Winifreds uitgebreide correspondentie citerend, uit meisjesachtige epistels aan oude schoolvriendinnen vol opgewonden uitroeptekens. De correspondentie met Hitler mocht Hamann helaas niet inzien; een achterkleindochter schijnt die als een Rheingold-schat te bewaken. Des te knapper van Brigitte Hamann dat zij met haar beperkte bronnenmateriaal zoveel nieuws boven water kreeg.

Ons beeld van Winifred, áls we dat al hadden, wordt bepaald door Syberbergs filmportret uit 1975. Winifred Wagner komt daarin naar voren als een onbeleerbare oude nazi en dat was dat. Bij Hamann is ze méér. Een oude nazi én een dappere tante. Een berekenende zakenvrouw én een onbaatzuchtige idealiste. Een verblinde, alleen maar in het doorgaan van de Festspiele geïnteresseerde manager én een grootmoedig mens.

Angst kende zij nauwelijks, daadkracht des te meer. Al in de jaren twintig reed ze auto, en voor het verwisselen van een band of het repareren van de motor voelde ze zich niet te goed. Ook voor de machthebbers was Winifred niet bang. Ze weigerde lid van de Reichsmusikkammer te worden, met als argument `dat ik mijn medewerkers alleen vrij en op grond van hun capaciteiten kan uitzoeken'. Ze viel de bonzen lastig met pleidooien voor personen die bij hen juist in ongenade waren gevallen.

Hitler kreeg de zenuwen van haar interventies. Hij begon haar te ontlopen en vanaf 1940 bezocht hij haar niet meer bij haar thuis. Maar ook toen Winifred Wagner haar directe invloed op Adolf Hitler verloor bleef zij voor individuele slachtoffers van hem vechten. Lang is de lijst van mensen die zij volgens Hamann hielp. Zelfs fervente tegenstanders van het regime wisten haar te vinden. Zo klopte de familie van een domineesdochter bij haar aan, in 1933, kort na de Reichtagsbrand. In heel Duitsland was de communistenjacht geopend en Lydia Beil uit Stuttgart kwam vanwege haar wellicht niet communistische maar toch wel sociale engagement in een tuchthuis terecht. Winifred haalde haar eruit. `Ze zette hemel en hel in beweging om mij te bevrijden', schreef Lydia Beil later. Op haar bedankbrief zou Winifred hebben geantwoord: `Voor een vanzelfsprekendheid bedank je niet. Als ik een daad van geweld in de partij kan verhinderen zal ik altijd mijn hartstochtelijke oppositie inzetten, en als ik een fatsoenlijk mens kan helpen zal ik het altijd doen, ter wille van mijn geweten.'

Een `fatsoenlijk mens': dat was haast iedereen die Winifred Wagner persoonlijk leerde kennen. Haar antisemitisme en communistenhaat waren gericht op groepen – niet op enkelingen met een stem en een gezicht.

Ook de schoonvader van Thomas Mann had baat bij Winifreds acties. Die wiskundige, jood en Wagneriaan was eigenlijk al te lang in Duitsland blijven hangen. De nationaal-socialisten eisten zijn huis in München op en in 1939 zag de oude man geen andere uitweg meer dan emigratie. Pringsheim en zijn vrouw slaagden erin naar Zwitserland te vluchten; hun kleinzoon schreef na de oorlog: `De toestemming om het land te verlaten, deze voor de nazi's ongebruikelijke daad van fatsoen, was alleen aan het feit te danken dat Winifred Wagner zich bij Hitler voor hen had ingezet.' Naast de brieven van Winifred Wagner zelf vormen de bedankbrieven van de door haar geredde mensen een andere belangrijke bron voor Hamanns biografie.

Het is moeilijk om Winifred Wagner na dit alles te haten. Op één foto zit ze te breien terwijl in haar mondhoek een sigaretje bungelt. Zo'n Mutter Courage wekt sympathie en dat haalt, nog sterker dan in het geval van Hamanns Hitler, de goed-fout-indeling overhoop. Wie er bij Hamann wel slecht vanaf komt, zonder tegenkleuren, is Winifreds oudste zoon Wieland. Een reputatie gaat hier aan duigen: niemand kan na het lezen van Hamanns boek nog beweren dat Wieland Wagner in contrast met zijn foute moeder `het goede Duitsland' symboliseerde. De Bayreuther regisseur die na de oorlog niets meer van de nazi's wilde weten had juist tot Hitlers zelfmoord als geen ander van diens protectie geprofiteerd. Hij had van `Onkel Wolf' een Mercedes gekregen en dankzij zijn gehoorzaamheid aan die suikeroom had hij niet naar het front gehoeven maar slechts naar een concentratiekamp, de Flossenbürger KZ-Aussenstelle in zijn vaderstad Bayreuth, waar hij de leiding nam en van zijn privileges genoot.

Zelfs Wielands eigen bruine moeder vond het onterecht dat hij er bij de denazificatie na de oorlog zo genadig vanaf kwam: helemaal zonder straf, terwijl het haar verboden werd ooit nog de Festspiele te leiden. `Alle schuld wordt op mij afgewenteld', schreef ze verbitterd en niet bezijden de waarheid. Ja, die zoon van haar, die Wieland, die lieveling van progressief Duitsland, die moet een ruggengraatloze egoïstische gluiperd zijn geweest.

Dat kun je de verstokte nazi Winifred niet verwijten.

Brigitte Hamann: Winifred Wagner oder Hitlers Bayreuth.

Piper, 688 blz. €22,80