Uit het lood

De lange weg van Gutenberg naar de digitale jungle wordt in kaart gebracht door boekhistorici voor een Franse encyclopedie. Nederland komt ook aan bod, vooral als het gaat om de Verlichting en om de lepe handel in roofdrukken.

Meer dan twintigduizend zeldzame en kostbare boeken drukte de Amerikaan Stephen Carrie Blumberg sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw achterover. In een periode van twintig jaar reisde hij in zijn Cadillac honderden Amerikaanse bibliotheken af en roofde er fraaie, antieke en unieke boeken. Alles bij elkaar nam hij voor ongeveer twintig miljoen dollar aan bedrukt papier mee naar huis. Toen hij in 1990 werd aangehouden, meende de FBI de spil te hebben opgepakt van een wereldwijd vertakt netwerk van kunstdieven. Maar Blumberg ontkende. Hij had de boeken gewoon thuis staan. Het ging hem niet om geld, laat staan om de handel. Maar ook niet om het lezen. Nee, hij wilde de gestolen boeken liefkozen. Strelen. Verwennen.

Voor zover bekend is deze Blumberg uit de landbouwstaat Iowa de grootste `bibliomaan' aller tijden. Een bibliomaan leest zelden of nooit. Het gaat hem (zijn er vrouwelijke bibliomanen?) veel meer of zelfs uitsluitend om de uiterlijke kenmerken van het boek: de leeftijd, het leren bandje. Hij is de boekenvariant op de klassieke rokkenjager Don Juan, die vrouwen wilde jagen, ze wilde hebben en bezitten, maar eigenlijk niet van ze hield.

De verovering stimuleert hem. Alleen al het zien van bladzijden die nog niet zijn opengesneden, het geluid van het mes door de pagina`s, of de gedachte aan zeer beperkte oplages kan hem in verrukking of zelfs tot een orgasme brengen. Het is dus een vorm van fetisjisme, een sublimatie van seksuele behoeftes. Sterker: bibliomanie getuigt van een afwijkende vorm van erotomanie. Het hoeft daarom niet verbazingwekkend te zijn dat boekengekken vaak een maatschappelijk geïsoleerd bestaan leiden en geneigd zijn tot diefstal, chantage of fysiek geweld om het verlangde boek maar in handen te kunnen krijgen.

Maar waar houdt de liefde voor een boek op en begint de gekte? De grens tussen tussen bibliofilie en bibliomanie is diffuus. Terwijl een bibliofiel zijn verzamelwoede nog enigszins weet te beteugelen, raakt de bibliomaan zo bezeten dat er voor hem in een antiquariaat of veilinghuis geen houden meer aan is. Aristoteles, die boeken verzamelde en erover schreef, zou volgens die opvatting nog een bibliofiel zijn, maar Ptolemaeus II, die zijn bevolking liet hongeren om maar boeken te kunnen kopen, was een bibliomaan. En om dichter bij huis te blijven: Boudewijn Büch, die tijdens zijn optredens in het televisieprogramma Barend en Van Dorp gehandschoend en met tedere blik liefkozend praat over zijn meegebrachte deeltjes en eerste drukken: neigt hij niet tot de aandoening waar Blumberg aan leed?

Vrijwel alles over de bibliomaan (maar helaas zonder de recente lotgevallen van de Amerikaan Blumberg) valt te lezen in het zojuist verschenen eerste deel (van A tot D) van de Franse Dictionnaire encyclopédique du livre, een prestigieus project waarin uiteindelijk alles over het boek te vinden zal zijn. Het encyclopedische woordenboek moet drie delen bevatten; het laatste deel is gepland voor eind 2003. Tal van internationale boekwetenschappers hebben er bijdragen aan geleverd, onder wie enkele Nederlandse boekhistorici, die de trefwoorden over de Nederlandse boekhandel voor hun rekening hebben genomen. Voor de minder kapitaalkrachtige lezer wordt een goedkope uitgave overwogen, voor de digitale lezer een editie op cd-rom.

Het Franse initiatief staat niet op zichzelf. In elk zichzelf respecterend land wordt tegenwoordig gewerkt aan een nationale geschiedenis van het boek. Frankrijk nam wel in 1983 het voortouw, met de publicatie van het eerste deel van de Histoire de l'édition française, een geschiedenis van de Franse uitgeverij en boekenwereld. Voor het eerst was niet één auteur ingeschakeld voor zo'n project, maar stond een compleet team aan boekhistorici garant voor de inhoud. Ook nieuw was de koers die men had bepaald: tot dan toe werd het boek voornamelijk bestudeerd als materieel object. Er verschenen studies over druktechnieken, lettertypes, boekbanden en andere vormgevingskwesties. Maar na het verschijnen van de Histoire de l'édition française verschoof het accent in het boekhistorisch onderzoek meer naar het boek in zijn sociaal-economische en culturele context.

In Groot Brittannië, de Verenigde Staten, Duitsland en Italië werkt men nu volgens dezelfde uitgangspunten als in Frankrijk aan een meerdelig nationaal handboek over de geschiedenis van het gedrukte boek. Inmiddels zijn de eerste delen al verschenen. De Dictionnaire encyclopédique du livre past in deze reeks handboeken, zij het dat deze uitgave geen geschiedenisboek is maar de vorm heeft van een encyclopedisch woordenboek. Ook in Nederland werd een werkgroep opgericht die zich met de nationale geschiedenis van het gedrukte boek moest bezighouden. Maar het kwam niet tot een meerdelig gedrukt overzichtswerk: het was gewoonweg te duur. In de jaren negentig besloot men het roer om te gooien en te koersen op een multimediaal boekhistorisch naslagwerk. Dat werd `Bibliopolis', dat begin november officieel in de lucht moet gaan (zie het kader bij dit stuk).

De schitterende Dictionnaire encyclopédique du livre kent talloze trefwoorden die te maken hebben met het boek als fysiek object, de productie, distributie en consumptie van boeken. Van letterkasten en cd-roms tot Chinees drukwerk en omslagontwerpen. Van zestiende-eeuwse Parijse uitgevers als Josse en Conrad Bade tot de twintigste-eeuwse Parijse Astérix-uitgever Georges Dargaud. Maar daarnaast is er oog voor de brede culturele en historische context van het boek, en ook al ligt het accent op Frankrijk, de rest van Europa komt ook aan bod (maar de gevreesde Amerikanen komen er bekaaid vanaf).

Uiteraard heeft Amsterdam, als centrum voor de internationale boekhandel in de zeventiende en achttiende eeuw, een eigen lemma. Na de val van Antwerpen in 1585 wist Amsterdam zich een vooraanstaande economische positie te verwerven. Ook de boekhandel profiteerde, in al zijn facetten, van deze bloei. De stad werd een legendarische broedplaats van vrijdenkerij en tolerantie, waar journalisten, intellectuelen en wetenschappers hun toevlucht zochten en waar boeken en tijdschriften werden geproduceerd. Jonathan Israel vestigde in zijn massieve studie Radical Enlightenment (2001) nog eens de aandacht op de centrale rol die Amsterdam en de Republiek speelden bij de verspreiding van dissidente geschriften in de Verlichting. Letterontwerpers, gieters, zetters, drukkers, boekbinders, papiermakers, schrijvers, vertalers, illustratoren, uitgevers en handelaren vormden een bloeiende branche en droegen fors bij aan de welvarende economie van de Gouden Eeuw.

Ook de beroemde Haarlemmer Laurens Janszoon Coster uit de vijftiende eeuw krijgt de nodige aandacht. De legende dat hij de uitvinder zou zijn van de boekdrukkunst en dat zijn knecht de apparatuur gestolen zou hebben, heeft in Nederland eeuwenlang standgehouden, maar uiteindelijk moest Coster het afleggen tegen zijn collega uit Mainz, Johannes Gutenberg. Zonder slag of stoot ging dat niet, want nog bij de onthulling van het Coster-standbeeld in Haarlem in 1856, gingen `Costerianen' bijna op de vuist met `Gutenbergianen'. En zelfs nog in de jaren vijftig van de twintigste eeuw meende opnieuw een Nederlander te kunnen aantonen dat de uitvinding van de boekdrukkunst wel degelijk aan de Haarlemmer moest worden toegeschreven.

Er is een beperking. Het criterium om als Nederlander in deze encyclopedie te worden opgenomen, schuilt onvermijdelijk in diens bekendheid onder de Franse boekhistorici. Om die reden vindt de lezer wel de cartograaf Blaeu, de firma Elzevier, de Rotterdamse wijsgeer Erasmus en de twintigste-eeuwse letterontwerper S.H. de Roos terug, maar bijvoorbeeld niet de Nederlandse illustrator Romeyn de Hooghe of de grote Amsterdamse uitgeverij van Johannes Allart. Nederland als zodanig krijgt in het derde deel van de Dictionnaire encyclopédique, zodra we bij de letter `p' zijn aanbeland, wel een apart trefwoord: daarin moet de hele Nederlandse boekgeschiedenis, inclusief de ontwikkeling van bibliotheken worden behandeld.

Nederlanders zijn ook prominent aanwezig onder het trefwoord `contrefaçon': de roofdrukken. In de zeventiende en achttiende eeuw was roofdrukken in Europa een normale praktijk en het waren veelal Hollandse boekhandelaren die zich met zulke piraterij bezighielden. Toch was er juridisch niets mis mee en hoefden de boeken allerminst onder de toonbank verkocht te worden. Auteursrecht bestond immers nog niet en zeker niet voor de schrijvers. Hoogstens kon een drukker of uitgever bij de overheid een privilege aanvragen voor een bepaalde periode in de vorm van kopijrecht. Aangezien dit een nogal omslachtige aanvraagprocedure met zich meebracht en geld kostte, kozen de meeste uitgevers ervoor zo snel mogelijk met een titel de markt af te romen.

De Hollandse uitgevers waren toen al zo gewiekst, dat ze boeken die in de ene provincie geprivilegieerd waren, lieten nadrukken in een andere en daar zelf op hun beurt kopijrecht voor aanvroegen. En als het kopijrecht van een boek in Holland aan een uitgever was toegekend, drukte een collega-uitgever het alsnog na om het in Frankrijk of Duitsland aan de man te brengen. Dat verklaart waarom er meer dan honderdvijftig al dan niet geprivilegieerde edities kwamen van de Fables van Jean de La Fontaine, waarvan er meer dan twintig in Nederland waren gedrukt. Die roofdrukken konden onderling enorme verschillen vertonen omdat de teksten – niet altijd foutloos – gekopieerd werden, maar er ook een graveur werd ingehuurd om de illustraties na te maken. Voor de boeken- en prentenverzamelaar van nu is het een wildgroei om wanhopig van te worden. Overigens werd in Nederland het systeem van boekprivileges pas afgeschaft in 1803 en kwam er vier jaar later een wet die voor het eerst kopijrecht toekende aan de auteur. De huidige auteurswet werd in 1912 van kracht. In vergelijking met Engeland, waar al in 1710 de Copyright Act was aangenomen, liep Nederland op dit punt dus behoorlijk achter.

Censuur is een ander verschijnsel dat in dit eerste deel van de encyclopedie ruim aandacht krijgt. Zo kwam de negentiende-eeuwse schilder-illustrator Honoré Daumier, die werkte voor het in 1830 opgerichte tijdschrift La Caricature, in moeilijkheden toen hij de burgerkoning Louis Philippe had afgebeeld als Gargantua, de reusachtige veelvraat uit de verhalen van François Rabelais. Op een vadsig onderlijf prijkt een klein peervormig hoofd met wijd opengesperde mond. Burgers brengen via een loopplank karrenvrachten aan lekkernijen naar dit gapende gat, terwijl onder zijn zetel een regen van lintjes neerdaalt op mensen die hem diensten hadden bewezen. Gevangenisstraf en een geldboete vielen Daumier ten deel.

Een dergelijke straf kwam niet onverwacht. Frankrijk kende al sinds jaar en dag een censuur die vele malen strenger was dan die in Nederland. Voor een deel was dit het gevolg van de macht van de roomskatholieke kerk, die boeken op de Index librorum prohibitorum plaatste. Weliswaar hadden vorsten het `recht van placet', het recht om zelf instemming te verlenen met de plaatsing van een boek op de Index, toch had Rome grote invloed op wat er in Frankrijk aan de man gebracht mocht worden. Bovendien had abt Jean-Paul Bignon, in de achttiende eeuw hoofd van de bibliotheek van de koning, het systeem ingevoerd van de `permission tacite', de stilzwijgende toestemming. Dat betekende dat drukkers en uitgevers al hun publicaties moesten voorleggen aan de censor, nog voordat die gedrukt waren. Ook nadat er toestemming was verleend en het boek gedrukt, kon het nog verboden worden.

De criteria waren streng. Elk kritisch geluid over staat, koning of religie werd verboden omdat dat de orde in de samenleving verstoorde. Desondanks werden veel verboden boeken toch op de markt gebracht. Soms onder een fake impressum (zogenaamd uitgegeven door `Pierre Marteau uit Keulen') waardoor de uitgever ongrijpbaar bleef, maar vaker nog door Nederlandse drukkers en uitgevers die met dergelijke uitgaven gretig in een gat in de Franse markt sprongen. Talloze titels vonden zo hun weg van Amsterdam, via Rouen naar Parijs, waaronder Histoire de Juliette (1797) van markies De Sade en Essai sur les Moeurs (1753) van Voltaire. Douaniers onderweg werden omgekocht en zelfs de censor in Parijs kneep wel eens een oogje dicht als hem iets aantrekkelijks werd toegeschoven. Ook vanuit Neufchâtel, aan de Frans-Zwitserse grens, werden massa's verboden boeken naar Frankrijk getransporteerd.

In de Bibliothèque Nationale in Parijs worden indertijd verboden en geconfisqueerde boeken en prenten bewaard onder de codenaam `Enfer'. Deze code werd tot de jaren zeventig van de negentiende eeuw aan boeken verleend, omdat het werken betrof die niet aan het gewone lezerspubliek ter inzage meegegeven konden worden. Niet verbazingwekkend is dat zich onder de collectie Enfer-boeken veel erotisch en pornografisch materiaal bevindt, zoals het pagina's lange gedicht La Masturbomanie ou jouissance solitaire (1830).

Nog tot ver in de twintigste eeuw werden ook in Nederlandse bibliotheken censuurmaatregelen getroffen. Vooral bibliotheken van rooms-katholieke signatuur legden hun aanschafplannen ter goedkeuring voor aan de clerus. Die bepaalde of een boek ideologisch, moreel, religieus of politiek de toets der kritiek kon doorstaan. Alleen wanneer instemming verkregen was, kon de bibliothecaris tot aanschaf overgaan. Zelfs voor een boek in de rekken, zoals Manon van de bronnen van Rogier van Aerde, moest de lener goedkeuring vragen. In zekere zin wordt deze traditie nog altijd voortgezet in de vorm van zelfcensuur: boeken waarin racistische gedachten worden geventileerd zul je er doorgaans weinig aantreffen.

Van de censuur naar de digitale jungle: de geschiedenis van het elektronische boek wordt in de Dictionnaire eveneens toegelicht. Nog geen twintig jaar geleden kwamen Philips en Sony met de eerste cd-roms op de markt. In vergelijking met de moderne cd-roms waren die erg eenvoudig, want niet interactief: je kon ze afspelen, maar daar bleef het bij. Er kon alleen op eendimensionale wijze informatie op gezet worden. In 1991 verscheen toen de cd-rom XA (`eXtended Architecture'), waarop tekst, beeld en geluid tegelijkertijd konden worden opgeslagen. Eerst daarna werden ze voor het grote publiek interessant, vooral toen uitgevers van encyclopedieën en woordenboeken besloten hun dure en omvangrijke naslagwerken op zo'n zilverkleurig schijfje uit te brengen. De lage prijs, de snelle toegankelijkheid, de grote gebruiksvriendelijkheid en de geringe hoeveelheid boekenkastruimte die een cd-rom in beslag neemt, maakten dat veel uitgevers dachten dat het traditioneel gedrukte boek voltooid verleden tijd was.

Maar ondanks die toekomstvisioenen, en ondanks de vele voordelen die het elektronisch publiceren met zich meebrengt, is er van de roman op cd-rom weinig terecht gekomen. Het is nu eenmaal geen pretje om een lange tekst van het scherm te moeten lezen, ook al is dat scherm nog zo vriendelijk voor het oog. Zolang voor dat probleem geen oplossing is gevonden, is de cd-rom niet meer dan elektronisch zoekboek: een informatiedrager, waarop heel veel gegevens opgeslagen kunnen worden en die de lezer vooral genoegen verschaft bij het zoeken naar bepaalde informatie.

Of het elektronische boek de definitie van het boek heeft gewijzigd, is nog niet te zeggen, ook niet met deze encyclopedie in de hand. Daarvoor moeten we wachten op het deel met de letter `l', waarin deze definitie hopelijk wordt gegeven. Ook de vraag of je nog van `lezen' kunt spreken als je een cd-rom activeert, wordt dan met een beetje geluk beantwoord. Waarschijnlijk maakt het allemaal niet uit hoe of waarop de tekst is gedrukt. Papier of cd-rom: het is en blijft een boek. Maar of Stephen Blumberg zijn bibliomane wellust ook zal voelen opkomen bij het zien van een cd-rom, dat valt te betwijfelen.

P. Fouché, D. Péchoin, P. Schuwer (red.): Dictionnaire encyclopédique du livre. Tome 1. Electre-Editoins du Circle de la Librairie (ISBN 2-7654-0841-6) 900 blz. €178,–