Uit een levendig hiernamaals

De schilderkunst maakt een ongekende wederopleving door en houdt zich bezig met essentiële humanistische vragen. In Parijs blijkt dat uit een tentoonstelling met werk van figuratieve schilders.

Ook al zou het maar een indruk zijn of een zoveelste tijdelijk verschijnsel, de schilderkunst is zeker niet dood, zoals enkele decennia geleden te horen was. Evenmin leidt de schilderkunst een overbodig bestaan. Hoe levend dat bestaan dan wel is, kunnen we nu in Parijs zien. Het Centre Pompidou wil er met de tentoonstelling Cher peintre een overzicht geven van de figuratieve (westerse) schilderkunst sinds 1940, toen er alsmaar vaker hardop werd nagedacht over de stervensbegeleiding of de executie. Is figuratieve schilderkunst, vragen de organisatoren zich af, intrinsiek traditioneel, politiek behoudend en anti-avantgardistisch? Houdt het schilderen van de menselijke figuur noodzakelijkerwijs een terugkeer in naar humanistische thema's zoals de waarheidsgetrouwe voorstelling van menselijke ervaringen en emoties? Kan figuratieve schilderkunst tegelijk provocerend en oprecht, kritisch en sentimenteel zijn?

Dat zijn ambitieuze vragen voor een bescheiden en zeker niet volledige tentoonstelling. Het zijn ook retorische vragen – er een antwoord op formuleren is niet echt de bedoeling. Het interessante van Cher peintre schuilt voornamelijk in de verscheidenheid aan schilders die geboden wordt. Sommigen zijn gepreoccupeerd door die vragen, anderen trekken er zich weinig van aan, en over de kwaliteit van hun werk zegt dat niet veel.

Bovendien is het beperken van deze kwesties tot het figuratieve deel van de schilderkunst, zonder de abstracte tak, enigszins misleidend. Niet alleen geven de organistoren daarmee aan dat voor hen het onderscheid tussen figuratief en abstract nog doorslaggevend is, het is nu toch ook of slechts één hersenhelft van de schilderkunst wordt aangesproken. Dat mag natuurlijk, maar dan moet de kijker goed weten waarnaar hij loopt te kijken: een greep uit hoogtepunten van één helft.

De tentoonstelling vangt aan bij de dadaïst Picabia. In een klein, knalrood halfrond prijken diens roemruchte, dubbelzinnige vrouwelijke naakten uit de jaren veertig van de vorige eeuw. Vervolgens wordt het bizarre Franse geval Bernard Buffet uit de jaren vijftig en zestig opgevoerd, samen met zijn spichtige, grootogige, wezenloze personages. Voor die jaren zestig is ook de Duitser Sigmar Polke opgehangen, voor de jaren zeventig de Amerikaan Alex Katz, voor de jaren tachtig de Duitser Martin Kippenberger. Het jongste decennium is vertegenwoordigd door twaalf schilders, afkomstig uit Duitsland, de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Frankrijk, Puerto Rico en België. Een internationaal gezelschap, dat mag laten zien hoe de figuratieve schilderkunst overleeft. Een onderling erg verscheiden gezelschap ook, met werk dat varieert van zeer groot tot zeer klein, van uitbundig tot ingetogen, van voorzichtig experimenteel tot klassiek olie-op-doek-aan-de-muur.

Francis Picabia (1879-1953) was een van de strijdbaarste dadaïsten, wiens invloed nog lang niet is uitgewerkt. Hij beoefende de anti-kunst met verve, en al schilderend. Op latere leeftijd maakte hij een reeks naakten, schilderijen naar foto's uit populaire bladen. Het ligt voor de hand ze als kitsch te bestempelen, maar ze zijn wel vervaardigd door een belangrijk kunstenaar. Behoren ze daarom dan toch aan de kunst? Wordt iets kunst omdat een kunstenaar het gemaakt heeft? En wanneer is men dan kunstenaar? Picabia wilde vooral zoveel mogelijk verwarring stichten, de status van de kunst, in het bijzonder de schilderkunst, onophoudelijk ter discussie stellen en, als het even kon, ridiculiseren.

Bioscoopposter

Dat wilde ook de Duitser Martin Kippenberger (1953-1997). Hij noemde in 1981 een tentoonstelling Liebe maler, male mir .... (te vertalen als: `Beste schilder, schilder mij eens wat). De kunstenaar liet een reclamebureau gespecialiseerd in bioscoopposters een reeks van twaalf realistische schilderijen uitvoeren over onderwerpen die hij gekozen had. Hij figureert zelf in enkele van die werken, gedreven door zelfspot. Deze reeks kwam in artistiek Duitsland hard aan. Kippenberger hekelde vooral het idee van authenticiteit, volgens hem viel dat samen met het romantische beeld van de autonome kunstenaar die schept vanuit zijn diepste binnenste. Hij had het ook op zichzelf gemunt, liet in zijn later werk vaak verstaan dat het hele artistieke handelen grossiert in contradicties en dat ook hijzelf daar niet aan ontkwam. Net als Picabia wilde hij, zonder zichzelf te sparen, de zelfgenoegzaamheid en de bijbehorende verstarring van het ijdele kunstbedrijf tegelijk ludiek en ernstig aan de kaak stellen.

De bedenkers van deze tentoonstelling namen Kippenbergers notoire titel over, maar zo hard als het statement van Kippenberger zal deze expositie niet aankomen. Cher peintre is een rustige tentoonstelling, waar diverse schilders keurig per zaaltje gepresenteerd worden. Soms hangen er twee bij elkaar vanwege verwantschap, soms kom je de hoek om en moet je blik verspringen van acht vierkante meter naar tachtig vierkante centimeter, van blozend vlees naar ziek vlees, van overvolle beelden naar het bijna abstracte van een uitvergrote kankervlek.

Opvallend is het grote aantal lege blikken dat hier te zien is – leegte in verschillende gedaanten, van dommig tot licht huiveringwekkend. Wie figuratieve schilderkunst toont, kan moeilijk om portretten heen. Het begint al bij de naakten van Picabia en het gaat voort bij Bernard Buffet, Sigmar Polke, Martin Kippenberger, Alex Katz, John Currin, Glenn Brown, Luc Tuymans, Enoc Perez, Kurt Kauper, Elizabeth Peyton, Brian Calvin. Al die portretten zijn zelden ongecompliceerd van aard. Altijd is er wel iets aan de hand, en regelmatig kun je terugdenken aan het opzettelijke `slechte' schilderen van Picabia.

De Amerikaan John Currin (1962), bekend van zijn kitscherige beelden van vrouwen met enorme boezems, is in zijn recente werk aanzienlijk subtieler geworden en laat prachtig geschilderde, net niet karikaturale portretten van oudere vrouwen zien. Een van hen heeft vissen op haar hoofd, een puntige neus en dito kin. Ze lacht wat dwaas en ze ontroert.

Ontroering komt uit alle richtingen. De Brit Glenn Brown (1966) laat door dikke verf toegetakelde gezichten zien, mooie monsters. Die dikke verf, die zo totaal mislukte plastische chirurgie grijpt even naar de keel, maar al even bevreemdend is het wanneer je voor die schijnbaar zo pasteuze doeken staat: ze zijn zo glad als een spiegel. Geen spoor van verf, die zit onder een doorzichtige laag – het oog is bedrogen.

Ook anderszins wordt het oog hier bedrogen. Net als Picabia hebben nu veel schilders het levend model vervangen door foto's. In veel gevallen krijgen we dus een beeld van een beeld van een beeld te zien. Iets derdehands, een ver nabeeld van wat ooit `werkelijkheid' was.

Zieke mensen

De Belg Luc Tuymans (1958) toont een groot deel van zijn reeks Der diagnostische Blick, die hij baseerde op foto's van zieke mensen uit een medisch handboek. In tegelijk zachte en onzachte kleuren, met een principieel onverschillige blik, schildert Tuymans gezichten en lichaamsdelen. Het is hem niet te doen om de ziel van deze mensen. De foto heeft die ziel al lang geneutraliseerd en de schilder holt het beeld nog verder uit – precies met zijn heel fysieke middel, de verf. De titel van de reeks slaat in de eerste plaats op de toeschouwer. Tuymans wil dat de kijker het werk diagnosticeert, dus dat hij meer doet dan louter kijken. Kijken is vredig, ontleden is wreed.

Ook de Amerikaanse Elizabeth Peyton (1965) schildert naar foto's. Aanvankelijk portretteerde zij celebrities als Kurt Cobain en Sid Vicious, in haar jongste werk figureert vooral haar vriend, Tony. In beide gevallen spreekt uit de doeken, alle van klein formaat, een hang naar intimiteit, kwetsbaarheid, melancholie, met een bevreemdende mengeling van empathie en afstand. Die afstand gaat vaak van de geportretteerde zelf uit, in de blik, die onpeilbaar is, of koud blauw.

Peyton schildert, zoals Tuymans, met zeer dunne verf. Haar doeken krijgen er iets transparants van, iets vergankelijks dat aansluit bij Peytons streven om vooral wat te zeggen over het hier en nu, over het ijdele van beroemdheid en over de tijdloosheid van verf. Maar zij verschilt ook aanzienlijk van Tuymans, bijvoorbeeld in een schijnbaar detail: geen doek waarin geen rood voorkomt, in mindere of opvallender mate. Ik denk dat precies dat rood heel wezenlijk is, het brengt een streep, een flits intimiteit, bereikbaarheid aan in de ijle transparantie. Het laat haar werk soms blozen.

De meeste schilders willen achter, onder, in de geportretteerden ook iets tonen over de tijd waarin ze leven. De immense, uiterst geluidloze doeken van Alex Katz (1927), allemaal groepsportretten van mensen uit zijn omgeving, zijn tevens beelden van een cool Amerika, overbelicht door een onmogelijk happy lichtbron – heel anders dan de al even immense en lichtrijke doeken van de Canadees Peter Doig (1959). Hij doet wonderlijke dingen met de sneeuw, de mens, het landschap. De sneeuw valt tegelijk op het landschap, de mens en het doek. Landschap, mens, sneeuw en verf worden in een heerlijke harmonie opgenomen door het canvas. Een bijzondere versmelting, met onsmeltbare verf als freeze-middel.

Uiteindelijk is de schilderkunst al lang uit het paradijs verdreven. Zorgeloze doeken, waar de verf onbevlekt haar werk doet, zijn moeilijk meer denkbaar. Wie nu een kwast over het canvas laat gaan, trekt hoe dan ook een spoor van geschiedenis. Elke schilder die hier tentoongesteld is, weet dat maar al te goed. Hij vergt van de kijker meer dan `gewoon' kijken. Ook de toeschouwer wordt zich, al kijkend en lezend en opnieuw kijkend, bewust van het vreemde, levendige hiernamaals dat hij aanschouwt. En zonder zijn blik zou het daar een stuk doodser zijn. Verf wil gezien worden – in een dood of levend bestaan, zo belangrijk is dat niet.

De tentoonstelling `Cher peintre' is tot 2 september te zien in Centre Pompidou, Parijs. Open: dag. 11-21 u, di gesloten. Inl.: www.centrepompidou.fr

Zorgeloze doeken zijn moeilijk meer denkbaar

Verf wil gezien worden, in een dood of levend bestaan