Koester stakingsrecht en vakbond

Het debat over de arbeidsverhoudingen in Nederland is, nadat het jaren weinig voorstelde, ineens flink aangewakkerd. Eerst was er een pleidooi voor afschaffing van het stakingsrecht van de hand van prof. Kol (NRC Handelsblad, 30 juli), en vervolgens stelde VNO-NCW de positie van de vakbonden als onderhandelingspartners in het CAO-overleg ter discussie. Het is een schone zaak dat eindelijk weer een inhoudelijk debat plaatsvindt over onderwerpen die het wezen van de sociale rechtsstaat raken. Maar een debat is alleen schoon als de standpunten doordacht zijn, en dat lijkt bij de recente ideeën inzake het stakingsrecht en de positie van vakbonden bij CAO-overleg bepaald niet het geval.

Stakingen, aldus prof. Kol, zijn niet meer van deze tijd. Het staken ontwricht de samenleving, omdat de afhankelijkheid van mobiliteit is toegenomen en de onderlinge afhankelijkheid van producten en sectoren in de tegenwoordige economie sterk is toegenomen. Ook hanteren bedrijven een veel scherper voorraadbeheer dat door stakingen ernstig verstoord kan raken. Kol kan het met deze observaties weliswaar bij het rechte eind hebben, maar de vraag blijft: wat heeft dat met het stakingsrecht zelf te maken? De collectieve actie, of het nu om een staking of een opstand ging, is van alle tijden – van Spartacus tot Fré Meis, van de Franse revolutie tot `het rondje rond de kerk'. Collectieve actie is het noodzakelijk kwaad waarmee werkende individuen gezamenlijk hun belangen kracht kunnen bijzetten in uiterste situaties, waarin elk overleg volledig is vastgelopen.

Daarbij heeft het stakingsrecht zoals het is verankerd in allerlei internationale verdragen, waaronder het Europees Sociaal Handvest, er nu juist voor gezorgd dat het collectieve actievoeren aan strenge procedureregels is onderworpen, en dat – kort gezegd – de belangen van derden niet onevenredig zwaar mogen worden getroffen. Daarom komen wilde stakingen vaak niet voor bescherming in aanmerking, zijn stakingen niet toegestaan wanneer de overlegmogelijkheden niet redelijkerwijs zijn uitgeput, en kan de rechter er een einde aan maken in verhouding tot de bij

de staking betrokken belangen, de staking veel te zwaar ingrijpt in de maatschappij.

Juist het afschaffen van het stakingsrecht zou betekenen dat het reguleren van collectieve acties zou wegvallen, wat stakingen en soortgelijke acties weer veel sneller tot oproer zou laten verworden – met alle gevolgen van dien. Daarmee is meteen het ondoordachte van het pleidooi tot afschaffing van het stakingsrecht gegeven: niet alleen grijpt men in in het fundamentele grondrecht van het individu tot gezamenlijk actievoeren, bovendien ontneemt de maatschappij die het stakingsrecht verbiedt zichzelf de mogelijkheid om de actievoerders op de zorgvuldigheid en de zorgvuldige afweging van hun acties aan te kunnen spreken.

Dan de door VNO-NCW gestelde vraag of vakbonden nog wel de juiste gesprekspartner zijn bij CAO-onderhandelingen: zij zouden te weinig representativiteit – oftewel: leden – hebben bij de bedrijven, en daarnaast ook te weinig begrip

hebben voor de noodzaak tot loonmatiging.

Om met dat laatste te beginnen: tussen werkgever en werknemer bestaat voortdurend onderhandelingsspanning over loon- en arbeidsvoorwaarden. Die kan alleen worden opgelost door periodiek collectieve afspraken voor langere termijn te maken. Bij het uitonderhandelen van de loon- en arbeidsvoorwaarden met de werkgevers is het juist van belang om aan werknemerskant een partij te hebben die verder van de dagelijkse werksituatie afstaat, zodat de loononderhandelingen worden losgekoppeld van de partijen die direct met elkaar op de werkvloer te maken hebben. Daartoe zijn de vakbonden de meest geschikte partij, en niet de ondernemingsraad, zoals VNO-NCW min of meer suggereert.

De ondernemingsraad is daarvoor juist niet geschikt, omdat de OR-leden zich op de werkvloer bevinden en zo direct bij de onderneming betrokken zijn. De ondernemingsraad is bovendien een orgaan dat adviseert en meepraat over – en soms zelf instemt met – het reilen en zeilen van de onderneming of delen daarvan, en dus vaak heel andere belangenafwegingen moet maken.

Een en ander wordt duidelijk bij het voorbeeld van een reorganisatie: de ondernemingsraad moet dan adviseren over de plannen voor de toekomst van de onderneming en de daarbij betrokkenen, ongeacht of de individuele leden van de OR zelf hun baan behouden of dreigen te verliezen. De vakbond die op afstand staat bemoeit zich alleen met het sociaal plan, de afvloeiingsregelingen voor degenen die hun baan verliezen, en houdt bij de onderhandelingen daarover weliswaar ook het belang bij continuïteit van de onderneming voor zijn achterblijvende leden in het oog, maar zijn toch primair gericht op de arbeidsmarktmogelijkheden en de financiële toekomst van de mensen die hun baan kwijtraken.

Het probleem van de teruglopende ledentallen van vakbonden vindt mijns inziens zijn belangrijkste oorzaak in het feit dat de Nederlandse Wet op de CAO bepaalt dat de CAO-arbeidsvoorwaarden ook moeten worden toegepast op niet-vakbondsleden. Dit was oorspronkelijk bedoeld om te voorkomen dat een werkgever zogeheten onderkruipers, dat wil zeggen: werknemers die voor minder loon gingen werken, in dienst zouden nemen. Maar in Nederland mag men rustig zeggen dat dat tot gevolg heeft gehad dat veel niet-leden gingen profiteren van de vakbondsonderhandelingen.

Voor dat probleem bestaat een eenvoudige oplossing: stel als vereiste voor onderhandelingsdeelname door de vakbonden een minimumpercentage aan leden in de desbetreffende bedrijfstak. Hoogstwaarschijnlijk zullen daarna direct veel meer mensen lid worden van de vakbond, of anders wel later, wanneer het water na aan de lippen komt te staan met loonmatigingen en reorganisaties, zoals begin van deze zomer in de IT-branche.

Ik zou VNO-NCW in overweging willen geven om een onderhandelingspartner, die in staat is met meer afstand en weloverwogen het arbeidsvoorwaardenoverleg in te gaan, niet in te ruilen voor de veel te dicht op het speelveld zittende eigen bedrijfsvakbond en ondernemingsraad. Het stakingsrecht en de vakbonden blijven verworvenheden, die de arbeidsverhoudingen alleen maar ten goede komen – óók in een sterk gewijzigd politiek klimaat.

Mr. F.B.J. Grapperhaus is advocaat in Amsterdam.