Ingrijpen bij hongerstaken wel toegestaan

Emeritus hoogleraar gezondheidsrecht Leenen liet onlangs in een radio-interview over de in hongerstaking zijnde Volkert van der G,, verdacht van de moord op Fortuyn, weten dat er enkel op gronden van twijfel aan de zelfbeschikking redenen kunnen zijn om de naderende dood te stoppen door middel van dwangvoeding. Dit is niet volledig omdat in dit geval niet enkel de wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) met zijn recht op zelfbeschikking van toepassing is, maar ook de Penitentiaire beginselenwet (PBW). En in een bepaald geval is het de WGBO zelf die tot ingrijpen oproept.

Van der G. verblijft in een penitentiaire inrichting en valt daarom onder de werking van deze wet. Ten aanzien van de WGBO geldt de PBW als een bijzondere wet (lex specialis). In art. 32 van deze wet is geregeld dat de directeur van de inrichting gerechtigd is om een gedetineerde te verplichten tot het gedogen van bepaalde geneeskundige handelingen. Namelijk wanneer zo'n handeling noodzakelijk is voor de afwending van ernstig gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van de gedetineerde of van anderen. Dat geldt volgens dit wetsartikel zowel voor de gedetineerde die bij zijn volle verstand is (wilsbekwaam) als degene bij wie dit gedrag voortvloeit uit een geestelijke stoornis.

De PBW voorziet echter niet in een zodanig recht tot ingrijpen ingeval de gedetineerde wilsonbekwaam is. Dat is bijvoorbeeld aan de orde wanneer het bewustzijn verloren is of de persoon er geen blijk van geeft te begrijpen wat voor gevolgen zijn gedrag en wilsuiting voor hem heeft. De werking van de PBW mag, gezien de strafrechtelijke context, echter niet analoog worden uitgelegd. Anders gezegd, als een bevoegdheid tot het nemen van een bepaalde maatregel jegens de gedetineerde in het kader van het strafrecht niet uitdrukkelijk in een strafbepaling is geregeld, mag er niet geredeneerd worden dat het in andere in de strafwet geregelde gevallen wel is toegestaan. Toch is ook dan ingrijpen door de directeur toegestaan. Sterker nog, de directeur begaat zelfs een strafbaar feit wanneer hij niet ingrijpt. In art. 255 WvSr is als strafbaar feit omschreven dat `hij die opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens wet of overeenkomst verplicht is, in een hulpeloze toestand brengt of laat' een strafbaar feit begaat. De directeur is vanwege de PBW belast met het beheer van de penitentiaire inrichting en hij zal, nu het om de lichamelijke toestand van de gedetineerde gaat, de hulp van een arts moeten inroepen. De arts is op zijn beurt verplicht te handelen in overeenstemming met onder meer de WGBO. Daarin staat de verplichting te handelen als goed hulpverlener, ook wanneer bijvoorbeeld een vertegenwoordiger van de patiënt behandeling zou afwijzen. De gedetineerde had namelijk op het moment dat hij nog wilsbekwaam was eventueel zijn advocaat of iemand anders als vertegenwoordiger kunnen aanwijzen.

In andere gevallen treedt normaal gesproken directe familie als vertegenwoordiger op. Volgens de WGBO moet de hulpverlener de wil van de vertegenwoordiger navolgen zolang de vertegenwoordiger handelt in overeenstemming met het belang van degene die hij vertegenwoordigt, tenzij dit niet strookt met zijn goed hulpverlenerschap. Dat goed hulpverlenerschap betekent voor de arts dat hij handelt conform zijn eed en beroepsstandaard, hetgeen inhoudt dat hij verrichtingen doet teneinde het leven te behouden. Buiten de euthanasie-wet, is het vaste rechtspraak dat de arts geen handelingen hoeft te verrichten die binnen zijn beroepsgroep als `medisch zinloos' worden gekwalificeerd. `Medisch zinloos' is aan de orde als ingrijpen er niet toe leidt dat het leven van de patiënt op een medisch gezien aanvaardbare kwaliteit wordt gebracht of gehouden. Medisch zinloos is bijvoorbeeld wanneer de patiënt enkel nog als kasplantje kan doorleven, maar niet wanneer de patiënt gewoon geen zin meer heeft in het leven.

Tenslotte blokkeert zelfs een bij het volle verstand geschreven wilsverklaring van de gedetineerde, waarin onder geen beding medisch ingrijpen wordt toegestaan, levensreddend handelen door een arts, zelfs niet wanneer de patiënt zich verzet. Uit de WGBO volgt namelijk dat de hulpverlener wel tot ingrijpen gehouden is wanneer dat noodzakelijk is om `ernstig nadeel voor de patiënt te voorkomen'. Deze bepaling geldt overigens in alle gevallen waarin de patiënt wilsonbekwaam is.

E.H. Hulst is Gezondheidsjurist aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.