Hoogendijk plaatst terecht een vraagteken

De LPF zal vaker ongebruikelijke vragen stellen en het is pijnlijk wanneer een goed antwoord uitblijft, vindt Alex Brenninkmeijer.

Het LPF-kamerlid Ferry Hoogendijk heeft ter discussie gesteld of de voorzitter van de strafkamer die de eerste zitting zal doen in het proces tegen Volkert van der G. gelet op zijn maatschappelijk verleden wel onpartijdig is. Van veel kanten, Raad voor de Rechtspraak, advocatuur en politiek zijn negatieve reacties gekomen op dit ter discussie stellen, met name omdat het Kamerlid in strijd met de scheiding der machten zou hebben gehandeld. Ook prof. Kelk is van mening dat ,,dit niet mag''(Opiniepagina, 8 augustus).

De betrokken rechter is inmiddels als aangeschoten wild gekenschetst door de vereniging van strafrechtadvocaten, alleen al omdat zijn positie ter discussie gesteld is. Een discussie over de vraag wat de grenzen zijn bij kritiek zoals Hoogendijk uitte is van belang, met name omdat Hoogendijk een punt heeft.

Wat Hoogendijk zei is in de Nederlandse cultuur not done, in die zin dat het ongebruikelijk is dat een Kamerlid zich uitlaat over de persoon van de rechter in een bepaalde zaak. Regering en parlement kunnen als wetgever de rechter instrueren met algemene regels. De minister van Justitie is in algemene zin politiek verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van de rechterlijke macht.

Een Kamerlid dat in een concrete zaak zich gaat bemoeien met iets wat onder de rechter komt of is, leidt op het eerste gezicht tot een vervaging van de verschillende taken in ons constitutionele bestel. Gelet echter op de band tussen LPF en de vervolging van de verdachte van de moord op Pim Fortuyn is het op zich niet vreemd dat iemand uit de `Fortuynkring' een opmerking als de gewraakte maakt. Of zoals mr. Van Delden van de Raad voor de Rechtspraak gisteren in deze krant zei: ,,Ik kan mij voorstellen dat mensen denken: moet dat nou? Is het wel handig een rechter die actief is in de PvdA op deze zaak te zetten. Maar goed het besluit is genomen.''

Hoogendijk heeft een punt omdat in Nederland de vraag wie als rechter op een zaak, zoals nu die van Volkert van der G., zit veelal met een zekere willekeur wordt beantwoord. Artikel 17 van de Grondwet omschrijft het grondrecht: ,,Niemand mag tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.'' Probleem is dat in Nederland de wet niet bepaalt welke persoon die rechter is. Wel is bij wet de rechterlijke organisatie geregeld, en hieruit vloeit voort dat een bepaalde rechtbank i.c. de rechtbank Amsterdam de plaats is waar Volkert van der G. moet verschijnen. Daarmee is echter nog niet bepaald welke individuele rechter(s) op de zaak zal (zullen) zitten.

In bovengenoemd artikel 17 zou men kunnen lezen dat de wet (in een algemene regeling) ook bepaalt welke personen als rechter(s) op welke zaak zit(ten). Natuurlijk brengt de moderne bedrijfsvoering van rechtbanken mee dat veelal volgens een bepaalde ordening zaken toebedeeld worden aan bepaalde rechters. In Nederland gaan we echter niet principieel met dit onderwerp om en ad hoc kunnen kamers bezet worden, bijvoorbeeld wanneer het om vrij unieke zaken gaat, zoals mega-zaken en/of zaken die in de publieke belangstelling staan.Het bestuur van de Amsterdamse rechtbank heeft een keuze gemaakt uit een bestand van meer dan honderd rechters – een keuze waarop nu kritiek gekomen is.

In Duitsland komt een soortgelijke bepaling in het Grundgesetz voor en daar is men principiëler wat betreft de beantwoording van de vraag welke individuele rechter op welke zaak zit. De keuze voor een rechter in een bepaalde zaak mag niet berusten op een individuele beslissing van bijvoorbeeld de president van de rechtbank. De keuze vindt plaats volgens een vast rooster. Dit principe hangt samen met het grondrecht dat geen sprake mag zijn van gelegenheidsrechtspraak.

Echte gelegenheidsrechtspraak komt in het westen niet vaak voor. Een voorbeeld kan men wellicht vinden in de VS met hun bijzondere rechtspleging ten aanzien van personen die in Afghanistan gevangen zijn genomen. Toch zou het uit een oogpunt van onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak ongelukkig zijn wanneer in een bepaalde zaak – gelet op de gewenste uitkomst – juist een milde of een strenge rechter wordt gekozen. Onderzoek heeft uitgewezen dat er verschil is tussen individuele rechters. Het zijn ook mensen en bij de rechtstoepassing in een geschil gaat het om meer dan het mechanistisch toepassen van een regeltje: dat zou immers een computer ook kunnen doen.

Juist omdat rechtspraak ook mensenwerk is, moet boven twijfel verheven zijn dat de keuze van de persoon van de rechter bewust dan wel onbewust beïnvloed is door bijgedachten over de gewenste uitkomst van het geschil. Prof. Kelk gaat met zijn beschouwing aan dit punt volledig voorbij, hij verklaart iedere rechter heilig en dat is – zeker in deze tijd waarin àlle autoriteiten ter discussie worden gesteld – naïef.

De principiële benadering van de Duitsers is meer verantwoord dan onze vrij beginselloze benadering. Het is niet uitgesloten dat de Duitse benadering bij toetsing aan het grondrecht op een eerlijk proces door bijvoorbeeld het Europese Hof voor de rechten van de mens, dan ook eerder genade vindt. De combinatie van een rooster dat bepaalt welke rechter aan de beurt is, regels voor wraking en verschoning alsmede een gedragscode voor rechters vormen bij elkaar een toereikende waarborg voor onpartijdige en onafhankelijke rechtspraak.

Omdat wij in Nederland geen regeling hebben voor de aanwijzing van de persoon van de rechter in een concrete zaak, raakt Hoogendijk een gevoelig punt, waarop wij geen afdoende antwoord hebben. Dit ondanks het feit dat het niet gebruikelijk is wanneer een politicus zich zo met een individuele zaak bemoeit. Maar het ziet ernaar uit dat met de komst van LPF meer ongebruikelijke vragen zullen worden gesteld. Pijnlijk is het wanneer geen goed antwoord mogelijk is.

Prof.mr. A.F.M. Brenninkmeijer is hoogleraar Staats- en Bestuursrecht aan de Universiteit Leiden. Het artikel van prof.mr. C. Kelk is te lezen op www.nrc.nl/opinie.