Hitte is koel in de tropen

Toen vorig jaar Jane Stevensons roman Astraea verscheen werd hij aangekondigd als de eerste van een trilogie die een tijdsduur zou bestrijken van de zeventiende tot de eenentwintigste eeuw. Dat overrompelende verhaal over de geheime liefde van de ware Elizabeth van de Palts, zuster van de Engelse koning, in haar Haagse ballingschap bekend als de Winterkoningin, en een verzonnen Nigeriaanse vorstenzoon die Pelagius genoemd wordt, begint in 1639 en houdt drie jaar later op.

Het nu verschenen, tweede deel gaat iets sneller: het vertelt het leven van hun zoon Balthasar van 1662 tot 1687. Er blijven dus meer dan drie eeuwen over voor het laatste deel: dat zal een ijltempo vereisen waarvan veel schrijvers buiten adem zouden raken.

Gelukkig is Stevenson een bijzonder begaafde weglater van verhaaldelen die zij niet nodig heeft. Het bijzondere aan haar werk is dat de lezer steeds duidelijk waarneemt dat het verhaal wordt doorstoken en omringd door open ruimtes waarin het leven van de personen onbeschreven voortgaat. Die vertelkunst viel al op in Astraea, waarin de lezer zelf mag bedenken hoe de avontuurlijke levens van de twee hoofdpersonen verlopen zijn voordat zij elkaar ontmoetten. In The Pretender zijn de open ruimtes een stuk groter. Reeksen jaren van Balthasars leven worden overgeslagen, en niet ondershands: de jaartallen staan erbij, zodat wij duidelijk zien wanneer het ineens drie of vijf of tien jaar later is.

De open ruimtes maken een heel verschil voor de stemming van het verhaal. De hartstocht van Elizabeth en Pelagius vroeg om meeleven van de lezer; het leven van Balthasar biedt alle ruimte om vrij rond te kijken in het verleden. Het verhaal begint in Middelburg, waar hij pasgeboren naartoe is gebracht omdat Den Haag niet van hem mocht weten. Hij is arts geworden, en oefent in Middelburg zijn praktijk uit totdat hij besluit om het in Londen te proberen,waar wij hem in 1672 zien aankomen en het volgende jaar vertrekken om met zijn gezin en een vriend een leven op te bouwen op Barbados waar zij kleine bezittingen hebben. In 1684 beseffen zij dat het nooit zal lukken en keren terug naar Londen; daar zien wij Balthasar weer in april 1686 en april 1687. Hij is een innemende man die zich zonder steun een weg baant door een ongeëffende premoderne maatschappij.

Als deelstudie van de levenswijze van zeventiende-eeuwers loont zijn verhaal al de aandacht. Daarbij wordt het verlevendigd door intieme scènes in het gezin en barre taferelen uit zijn medische carrière, van een anatomieles aan het begin tot een verloskundige ingreep aan het eind.

Hoe beklemmend de hitte van Barbados ook wordt beschreven, The Pretender laat zich koeler lezen dan Astraea met zijn geheime liefde. Soms lijken de open ruimtes te ruim; bij nader inzien blijken er weinig woorden in het boek te staan die geen bijdrage leveren aan het verhaal. Wie het niet merkt onder het lezen zal het achteraf gewaar worden wanneer allerlei passages zich heimelijk in de herinnering gevestigd hebben.

Aan de algemene lof voor Jane Stevensons werk moet een exclusief Nederlandse pluim worden toegevoegd voor haar oordeelkundig gebruik van Nederlandse termen. Dat komt in het eerste boek meer tot zijn recht dan in het tweede; in beide valt op hoe net echt bijvoorbeeld Mynheer en Mevrouw als aanspreektitels op de goede plaats in de zin staan.

Jane Stevenson: The Pretender. Jonathan Cape, 304 blz. €33,35 (geb.)