Hij wil de weg niet meer vragen

Robert Anker hoort tot de dichters die zich van bundel naar bundel kameleontisch door de poëzie begeven. De broekbewapperde mens, zijn zesde bundel, verschilt wezenlijk van zijn zes jaar geleden verschenen In het vertrek. Ook nu weer zijn het persoonlijke leven en de eigen omgeving herkenbaar als uitgangspunt, maar het speelse vloeken met de syntaxis en het gebruik van samengestelde woorden (zoals `stembandloosheidsverbijstering') is nieuw. Anker is zich steeds taliger gaan uiten: niet de inhoud maar een brute formuleringsdrift bepaalt het poëtisch gehalte van zijn nieuwe gedichten. Dat er toch ook nog een boodschap is dankt zijn werk aan de huiselijke onderwerpkeuze. `Er is niets achter de dingen,' onthult Anker in een interview in de Poëziekrant van mei-juni jl. Zijn gedicht `Meer is het niet' geeft die filosofische desillusie even terloops als doelmatig vorm:

Meer is het niet

geen afbladderingsbrutaaltje

dat in rottende vanzelfsprekendheid

met mosgroene strepen

ons prudente blikveld teistert

noch de stinkende eindigheidsbemanteling

van opgewreven hoogglans of hardhouthybris

maar gewoon ordentelijk een wit balkon

een spijl ontbreekt als een kindertand

een theedoek schommelt aan de lijn

en dan de ramen waar de mensen wonen

meer is het niet.

In de afdeling waarin `Meer is het niet' is opgenomen spelen slotregels een opvallende rol. Hierboven als een gelaten herhaling van de openingsregel, maar in andere verzen soms als brute ontsporing van het betoog. `Daar wilde ik het eens over hebben' besluit `Het raadsel van het drijven', en elders eindigt Anker onverhoeds met surpriseregels als `o god wat houd ik toch van de knieën uit je rok!' en `Nee dat weet hij niet'.

Gedurfd is het, maar niet ongericht. In het al genoemde interview typeert Anker zijn gedichten als plaatsbepalingen. 'Meer is het niet' is daar een goed voorbeeld van. Ook van het `territoriumverlies' dat de dichter desgevraagd zijn thema noemt. In rake bewoordingen schetst hij daarna zijn ontwikkeling per bundel, van het beschermde dorp uit zijn West-Friese kinderjaren tot de chaotische stad die hij nu bewoont. `Waar ik nog ben (1979), het dorp; Van het balkon (1983), nog beschouwend, de straat maar van bovenaf; Nieuwe veters (1987), de straat op; Goede manieren (1989), waar sta je. Uiteindelijk komt het er misschien op neer dat je, waar je ook bent, altijd weer weg moet: In het vertrek (1996).'

De gedachte dat de vraag `Waar sta ik?' belangrijker is dan `Wie ben ik?' deelt Anker met collega-dichters als K. Michel en Martin Reints. Dat hij deze verwantschap ook zelf ervaart, toont het gedicht `In de Beemster', dat voortborduurt op Reints' briljante essay over het euclydische landschap van de zeventiende-eeuwse polder, en daarom aan hem is opgedragen. `Waar ben ik' wordt in dit gedicht geruststellend beantwoord met `(in de Beemster)'. `En waartoe' daarentegen onrustbarend met `(omdat je bent geboren)'.

Even verontrustend, want vervreemdend werkt Anker het thema van het territoriumverlies uit in de reeks `Iemand van ons'. Elk van de zestien gedichten daarvan eindigt met een sleutelregel (tussen haakjes) die suggereert dat reële gespreksfragmenten het uitgangspunt zijn. Maar de wandeling die de reeks beschrijft is niet werkelijk maar volstrekt denkbeeldig. Wanneer de `wij' soms denken `dat het een mist zal zijn/ waar de steenweg eindigt', legt `iemand van ons' geduldig uit `dat het maar een beeld is/ dat de steenweg nu al eindigt/ in onszelf.' In zo'n landschap lijkt het weinig zinvol om de weg te vragen. Ook deze overweging is door Anker verwoord:

Wij hoorden laatst

dat iemand ons had geweigerd

de weg te vragen.

Hij wilde nog wel de boodschappen doen

maar de weg vragen – nee.

Hij was ook gewoon blijven zitten

had een sigaret opgestoken en gezegd

de weg is niet ontheemd zonder ons

de weg weet ons wel te vinden.

Toen wij dit hoorden

hebben we elkaar aangekeken

maar niemand van ons

kwam op de gedachte

die dit verpletterend nieuwe standpunt

adequaat zou beschrijven.

(`de weg vragen')

Zo quasi logisch als hier is geformuleerd, zo overheersend zijn de anakoloeten in de cyclus `Senex en Safinur'. Het schijnbare allochtonentaaltje dat Anker voor dit tweetal hanteert zou als stuitend ervaren kunnen worden, maar dat is allerminst de bedoeling van de dichter. De syntactische overtredingen en merkwaardige neologismen (zoals de `giecheline' waarmee Safinur de ruggengraat en bil van Senex beduimt) geven uiting aan de spraakverwarring van een oude man. En ook daarbij speelt territoriumverlies een rol. Wanneer Senex uit zijn spraakverwarring naar de dingen strompelt, naar de theepot en de bittere geranium, en daarachter de weg, het weiland en dan de horizon, maant het derde vers van de cyclus hem dat hij `te wijd' gaat:

Senex blijf bij hier de tafel en de klok wind hem op

met je knuisten je trafische bebrild zo bres wat broog

bang vraagt Safinur u staan al uur bij klok uw plek

vergeten? Knik maar Senex en dan nu naar buiten schuifelen

dat zij hem vindt in de avond bij de eenden bij de brug

knik: dat veugelloze vogeldreef nog oplicht dan verschrimpt.

Dit lijkt op de taal van Ilja Leonard Pfeijffer, maar in de Poëziekrant distantieert Anker zich van diens poëzie. Ze ronkt weliswaar prachtig, zegt hij, maar ze betekent niet zo veel. `Waar gaat het allemaal over?' In zijn reactie op het gedicht `Poëzie en religie' van de Australische dichter Les Murray beroept Anker zich niettemin op de door Pfeijffer bewonderde Lucebert en diens niet minder `duistere' dorpsgenoot Roland Holst. `Vs Murray' heet het vers. Anker betoogt daarin dat de tijdelijke zanger en `vooral des zangers zingende gedicht' de taal in haar geheime wortelstelsel opzoeken: `en dat ontstaat/ als het door de regen wordt bezocht/ van zeg: de analfabetische naam/ van zeg: de wilde kim/ van zeg: de voetstap van een zin'.

De poëtische stellingname van Robert Anker is dus even paradoxaal als zijn beste gedichten. Des te dichter die bij de werkelijkheid of emotie komen, des te afstandelijker is de formulering. Maar ook aan deze stelling beantwoordt Anker niet constant. Het slotgedicht van De broekbewapperde mens, `Waar is het einde van het jaar', schroomt allerminst de werkelijkheid en emotie te benoemen. Onvoorspelbaarheid is zijn kracht.

Robert Anker:

De broekbewapperde mens.

Querido, 87 blz. €18,50