Het wemelt van de blauwe burqa's

De oorlog in Afghanistan heeft sommige vrouwen ook iets goeds gebracht: een publiek voor hun levensverhaal. `Ik word in de gelegenheid gesteld om dit boek te schrijven', aldus Latifa in Gestolen gezicht. Toen de Talibaan-soldaten op 27 september 1996 Kabul innamen moest de 16-jarige Latifa zich van de een op de andere dag van top tot teen bedekken met de burqa en haar studie journalistiek staken. Ze kwam in 2000 naar Frankrijk om aan het maandblad Elle te vertellen hoe het is om als jonge vrouw te leven onder het bewind van de Talibaan. Die ontmoeting resulteerde in Gestolen gezicht.

Inmiddels is een golf van zulke boeken verschenen, waarin de persoonlijke geschiedenis van een Afghaanse vrouw model staat voor die van tienduizenden andere Afghaanse vrouwen. Niet alleen de titels, maar ook de omslagen lijken op elkaar: een vrouw met burqa. Dit kledingstuk komt in alle boeken prominent naar voren als hét symbool van de vrouwenonderdrukking. De burqa is `als een lijkwade', `een zak waarin je het benauwd krijgt alsof iemand de zuurstofkraan had dichtgedraaid' (Zoya), `een totale ontkenning van individuele vrijheid' (Gestolen gezicht), een `kooi' waarin je het warm hebt, flauwvalt, niet goed kan zien en voortdurend struikelt (Gesluierd door Afghanistan) en een kledingstuk dat vrouwen reduceert tot `levende spoken' (Naar Afghanistan komt God alleen om te huilen).

Wat toon en opbouw betreft hebben deze boeken iets weg van de emancipatoire bekentenisliteratuur zoals die in de jaren zeventig in diverse landen in het westen opkwam. Wilden de westerse autobiografieën aantonen dat het persoonlijke politiek is, hier geldt vooral het omgekeerde: het politieke is persoonlijk. Preciezer: het politieke maakt het persoonlijke onmogelijk. In Latifa worden de decreten van de Talibaan opgesomd die het leven van vrouwen beknotten. Het dragen van de burqa is verplicht. Make-up is verboden. Meisjes mogen niet met jongens praten. Vrouwen mogen niet door een mannelijke arts behandeld worden, maar mogen ook niet buitenshuis werken (dus ook niet als arts). Vrouwen die genoodzaakt zijn het huis uit te gaan, moeten vergezeld zijn van een mahram (een vader, broer of echtgenoot). Polygamie is weer toegestaan.

Wakkerschudden

Maar er zijn verschillen. Terwijl de vrouwenbevrijdingsliteratuur uit Amerika en Europa vooral bedoeld was als eye-opener voor vrouwen uit die streken zelf, bestaat de doelgroep van deze boeken juist niet uit Afghaanse vrouwen, maar uit westerlingen. In elk boek is een chronologische tabel opgenomen met historische feiten over Afghanistan en een verklarende woordenlijst, waarin men definities aantreft van `burqa', `Mujahedeen' en `Talibaan'. En hoewel de boeken bedoeld zijn als wakker-schud-literatuur-voor-het-westen, bevestigen ze vooral wat je al op de televisie hebt gezien.

Toch zijn deze boeken niet makkelijk tot stand gekomen. Er zijn bijvorbeeld vele vertaalslagen nodig om het levensverhaal van een Afghaanse vrouw, meestal in de ik-vorm, op papier te krijgen. Veelal is een tolk nodig geweest of is in zeer gebrekkig Engels gecommuniceerd; de boeken zijn in het Engels, Spaans, Frans of Duits geschreven en vervolgens, soms zelfs door drie auteurs, in het Nederlands vertaald. Latifa heeft hulp gehad van een Franse/Afghaanse vertaalster. Zoya, geschreven door het journalistenechtpaar John Follain en Rita Cristofari, komt over als een mengeling van reportage en een interview waarbij de aanhalingstekens zijn weggelaten. Gesluierd door Afghanistan is een reisverslag van de Spaanse journaliste Ana Tortajada. Naar Afghanistan komt God alleen nog om te huilen. Het verhaal van Shirin Gol, tenslotte, is geschreven door de in Iran geboren Siba Shakib, die afwisselend in New York, Italië en Duitsland woont. Haar boek is in de derde persoon geschreven en benadert door haar verbeeldingrijke stijl het meeste de romanvorm.

Het boek waarin we het duidelijkst iets van de vertaalslagen terugzien, is Gesluierd door Afghanistan van Tortajada. De titel is misleidend, omdat het boek zich nauwelijks afspeelt in Afghanistan. Het gaat vooral over het verblijf van Tortajada en haar twee Spaanse vriendinnen in Pakistan, waar ze zeven weken moeten wachten op een visum voor Afghanistan en met behulp van een tolk gesprekken voeren met Afghaanse vluchtelingen en vertegenwoordigers van vluchtelingenorganisaties. Maar 75 van de 272 bladzijden hebben betrekking op de drie dagen die ze in Afghanistan doorbrachten. De tolk, een jonge Afghaanse vrouw, speelt in dit deel een vrij prominente rol. Wanneer de Spaanse vrouwen een andere tolk krijgen toegewezen door de Talibaan blijkt hoe afhankelijk ze zijn van hun eigen tolk voor betrouwbare communicatie.

Jammer genoeg loopt Tortajada's verslag uit op een smartlap, een merkwaardige verheerlijking en romantisering van het lijden van vrouwen in Afghanistan. `Ik zou een Afghaanse vrouw willen zijn zodat ik mag meevechten, daar mag blijven', noteert ze na haar driedaagse verblijf. Na lezing zal men dan, net als Tortajada, worstelen met de vraag wat men als westers individu voor de vrouwen in Afghanistan kan doen. Dat probleem heeft een van de andere boeken handig opgelost. Van Zoya gaat vijf procent van de verkoopopbrengst naar RAWA, de Revolutionary Association of the Women of Afghanistan.

Vertegenwoordigt het westen in Tortajada's schuldbewuste ogen `hedonisme', `materialisme' en `individualisme', voor jonge Afghaanse vrouwen als Zoya en Latifa staat het westen juist voor `vrijheid'. Vóór de komst van de Talibaan luisterden ze naar Madonna. Latifa's verzet tijdens de Talibaan bestaat er onder meer uit dat ze plaatjes van Leonardo di Caprio in de verzetskrant plakt: alleen al het kijken naar hem voldoet aan de rebelse behoefte van meisjes.

Oprah Winfrey

Boeiend, maar spaarzaam zijn de momenten dat we meer over de seksuele en relationele ontwikkeling van Zoya en Latifa lezen. Zoya bekent dat zij zich niet kan voorstellen dat ze ooit een seksuele relatie met een man zal hebben. `Wij mensen kregen te horen dat een dergelijke relatie in het Westen normaal was, maar ik en alle andere meisjes vonden het niet normaal, en we wilden er niets van weten.'

Net als Latifa, vertrekt ook Zoya op de laatste bladzijden van haar boek naar het Westen om namens de RAWA haar verhaal te vertellen voor publiek. Nadat Oprah Winfrey het gedicht `Onder de burqa' van Eve Ensler (schrijfster van De Vaginamonologen) op televisie heeft voorgedragen, wordt Zoya verzocht in burqa op het podium te stappen. Terwijl droevige Amerikaanse muziek klinkt, ontdoet Winfrey haar van haar burqa en laat deze op het podium vallen. Zoya krijgt een staande ovatie van het publiek. De burqa valt, maar eigenlijk weet je nog steeds niet wat zich daarachter afspeelt. Waarom Zoya bijvoorbeeld geen westerse relatie wil en tegelijkertijd opmerkt dat vrouwen in Amerika er zo `gelukkig' uitzien.

Ook Shirin Gol, afkomstig uit een bergdorpje, vindt de westerse omgang tussen man en vrouw als jong meisje `niet normaal'. Ze is veertien als ze haar man ontmoet en bevalt van de eerste van haar negen kinderen. Kort daarna moeten zij en haar man, een soldaat, vluchten voor de Russen. Ze komt eerst in een kamp in Pakistan terecht en later in Iran. Daar ontmoet ze Amerikanen. Er zijn `luchtig geklede' vrouwen die roken en mannen recht in de ogen kijken. Hoewel ze vrouwen die roken `minder mooi' vindt, oordeelt ze als oudere vrouw steeds positiever over het westen. `De God van de buitenlanders moet een goede en vrije God zijn', denkt Shirin Gol, `een God, die de mensen toestaat dat allemaal te doen zonder hen daarvoor te straffen.'

Siba Shakib, tevens documentairemaakster, kent de Afghaanse taal en vertaalt in haar boek vaak letterlijk namen en uitdrukkingen. Personages heten dan `moeder-zonder-kleur-in-haar-gezicht' of `moedervlekzus'. De vele cyclische zinnen geven haar vertelling iets van een streekroman: `De zomer gaat, de winter komt. Kinderen worden geboren. God roept een paar mensen bij zich.' Maar haar wat overtollige beeldende stijl levert ook mooie fragmenten op. `Het wemelt hier van de blauwe burka's, die zich in de wind nu eens strak om de magere vrouwenlichamen hullen, dan weer bol staan als ballonnen. Ballonnen die de vrouwen zo lijken te kunnen optillen om vervolgens weg te zweven.'

Jammer genoeg is deze passage een uitzondering, niet alleen in haar eigen boek maar in het hele aanbod aan Afghaanse vrouwenboeken. Daardoor komt het formulekarakter van de boeken en hun personages des te pijnlijker in beeld. Na lezing kan men Latifa, Zoya en Shirin niet meer goed uit elkaar houden. Ze zijn verworden tot een voorspelbaar handelsprodukt. Te veel model en te weinig individu, waardoor ze toch weer achter hun burqa verdwijnen.

Siba Shakib: Naar Afghanistan komt God alleen om te huilen. Het verhaal van Shirin Gol. Vertaald uit het Duits door Hans van Riemsdijk.

Arena, 302 blz. €19,95

Zoya, John Follain en Rita Cristofari: Zoya. Een moedige Afghaanse vrouw vecht voor vrijheid.

De Boekerij, 208 blz. €13,50

Latifa: Gestolen gezicht. Het leven van een jonge vrouw in Kabul. Geschreven in samenwerking met Chékéba Hachemi. Vertaald uit het Frans door Theo Buckinx. De Kern, 200 blz. €14,98

Ana Tortajada: Gesluierd door Afghanistan. Uit het Spaans vertaald door Felicitas van Wijk, Tineke Hillegers en Ilona van der Werff. Meulenhoff, 272 blz. €17,95