Het boerenvak 1

Tom Maas ridiculiseert in zijn kritiek op het Europees subsidiebeleid het boerenvak (NRC Handelsblad, 29 juli). Boeren moeten vooral zelfstandig `agrarisch ondernemer' blijven en niet vermomd worden als tuinman of natuurbeheerder, vindt Maas. De agrarische sector heeft voor een groot gedeelte het Nederlandse landschap bepaald, én bepaalt nog steeds voor een groot gedeelte het landschap. Er is daarom niks mis met de gedachte dat subsidieverstrekking in min of meerdere mate afhankelijk is van de manier waarop de boer het landschap en de natuur beheert.

,,Over die economische kant van de zaak gaat het hier niet'', aldus Maas. Productie, dus ook voedselproductie, is een economisch gegeven, en kan daarmee niet genegeerd worden. Maas vergeet nog een economisch gegeven, namelijk het inkomensniveau van boeren. Bijna een kwart van de boeren leeft onder het bestaansminimum.

Maas lijkt een groot voorstander van het marktdenken. De markt vraagt om grootschaligheid, volgens hem. Hij weerspreekt zichzelf echter. Hij zegt dat de stedeling een ander soort, kleinschaliger, boer wil zien. Dit zou volgens hem niet passen in het modern agrarisch ondernemerschap. Maas geeft hier blijk van een gebrekkige kennis van het vrije marktdenken. Als de stedeling, ook consument, inderdaad die kleinschalige boer wil zien, dan is er markt voor en ligt het voor de hand om kleinschaliger en natuurlijker te produceren. Dat deze manier van boeren vruchten afwerpt, blijkt alleen al uit de opmars van het kamperen bij de boer en de stijgende verkoop van biologische producten.

Het streven is altijd naar een goed inkomen zonder subsidieverstrekking. De zaak staat er momenteel echter nog niet zo rooskleurig voor. Biologische landbouw moet gestimuleerd en door de overheid ondersteund worden, zodat boeren de slag om de wereldconcurrentie aankunnen en in staat zijn een redelijk inkomen te verdienen met milieuvriendelijke en gezonde producten die voor iedereen betaalbaar zijn. Daarbij is het alleszins redelijk dat de boer een financiële tegemoetkoming krijgt voor het landschapsbeheer, want die werkzaamheden oefent hij uit in het algemeen belang. Daarmee houdt de boer het landschap in stand, terwijl hij doet waar hij goed in is: boeren.