Het bankbiljet

Een pistool, een munt of een trombone zijn rekwisieten die de toon van een leven kunnen bepalen. K. Schippers liet zich erdoor inspireren tot een zomerserie voor het Cultureel Supplement. Vandaag deel 4.

De man fietste naar het postkantoor om daar een vel zegels te kopen. Hij had nog nooit postzegels verzameld. Deze waren zo mooi dat hij ze graag in z'n nabijheid wilde hebben.

Een heel vel met schilderijen uit de zeventiende eeuw, een zelfportret, een kerk met een immens plein, waar bestond de serie nog meer uit, een vogel op een tak, 't was, dacht hij, een puttertje, nooit in 't echt gezien.

Hij had ze nog niet eens allemaal onder ogen gehad. 't Vel zweefde met open plekken in z'n gedachten, met het afsluitende kartelrandje eromheen.

Op het postkantoor trok hij een nummer. 't Kon nog wel even duren. Hij ging, onder een raam, op een bank zitten en begon een huis te bouwen, met legostenen die voor kinderen waren bestemd. Hij was vlugger aan de beurt dan hij dacht.

De beambte zei dat ze het ontwerp niet meer in voorraad hadden. In korte tijd was het erg populair geworden. Tientallen vellen met zeventiende-eeuwse plaatjes had hij uitgereikt. Vier, vijf straten verderop was een ander postkantoor. Als de klant daar eens zijn geluk ging beproeven.

Geluk beproeven, de beambte gebruikte die woorden echt. De klant vond ze iets te zwaar voor zijn missie. Hij wist niet zeker of het advies z'n dagindeling in gevaar bracht. Over een half uur moest hij naar de tandarts. Als hij eerst het tweede postkantoor bezocht, kwam hij misschien te laat.

Aarzelend over zijn koers, zonder dat hij een beslissing had genomen, stapte hij op de fiets. Door de vaart nam zijn besluitvaardigheid toe. Hij was al op weg naar het andere postkantoor en later, toen hij eraan terug dacht, wist hij nog dat een paar stadsopnamen uit Vertigo door z'n hoofd waren gegaan. Er was nauwelijks verkeer en ook de voorbijgangers waren spaarzaam, of geen voorval de aandacht van de fietser mocht afleiden.

Voor het raam van het tweede postkantoor hing een biljet waarop de sluiting werd aangekondigd. Daar had de beambte niets over gezegd. De fietser zocht hoopvol de datum. Het was nog een paar dagen open.

Binnen was nauwelijks publiek, net of de buurtbewoners zich al bij de sluiting hadden neergelegd en hun heil zochten in het postkantoor dat hij net had verlaten. Of was hij getuige van het nooit te voorspellen ogenblik waarop er plotseling een luwte optreedt in de drukte.

Er werden hier geen nummers getrokken. Het kan ook zijn dat het benodigde apparaat al was verwijderd. De beambte van dit kantoor wenkte hem. De vraag naar het vel met de zeventiende-eeuwse plaatjes verbaasde hem niet. Hij kon hem alleen niet helpen. Het was mogelijk dat het kantoor over een paar dagen nog een zending kreeg. Zekerheid kon hij daarover niet geven. Het kon ook dat de bevoorrading van de speciale zegels al was stopgezet.

De man fietste naar de tandarts. Goed dat hij meteen het andere postkantoor had bezocht. Er was nauwelijks tijd mee verloren gegaan.

Hij wist alleen niet of hij zich bij de onverkrijgbare postzegels moest neerleggen. Als hij ooit zo'n vel kocht, dan was het vandaag. In die baan had hij zich nu eenmaal begeven. Het zou een nederlaag zijn, als hij de zegels niet in zijn bezit kreeg, hoe ver hij er, na de tandarts, ook voor moest fietsen.

Het was nog stiller op straat geworden. Hij zag alleen de schaduwen van bomen en huizen, niet van voorbijgangers. De klik van het fietsslot had iets oneindigs. De echo was te wijd voor zo'n geringe handeling.

Bij de tandarts zat er net zo weinig tijd tussen zijn komst en zijn ontvangst, als op het tweede postkantoor. Geen tijdschrift of een begroeting van een andere patiënt. Die bijkomstigheden waren uit het hoofdvoorval gesneden.

Op de stoel begon hij, als z'n mond onbezet was, niet over het uitzicht op het plafond. Een bewegend beeld op die plek zou je aandacht van de pijn kunnen afleiden. Er was iets anders in werking gezet en daar kon hij zich niet meer aan onttrekken.

Misschien was hier nog een derde postkantoor in de buurt. De tandarts wist wel waar of anders vroeg hij dat, net voor hij op z'n fiets stapte, aan een voorbijganger. De kans was groot dat de zegels ook daar niet meer te krijgen waren.

Wacht eens, op de boulevard had je een winkel die in postzegels handelde. Hij was vaak langs de etalage gelopen zonder dat de uitgestalde ontwerpen een zweem van verlangen in hem hadden opgewekt. Het was beter om er straks meteen naar toe te fietsen. De serie was kort geleden verschenen en dan kon het verschil in prijs nog niet zo groot zijn.

Hij fietste door een zo goed als lege stad terug. De postkantoren, de behandelkamer van de tandarts en de straten, het waren decors, die om één uitbreiding vroegen, de postzegelwinkel op de boulevard. Hij ging een garage voorbij, daar zaten vaak mécaniciens op de stoep, dit keer niet.

In de lucht fladderde een klein papier. Het waaide naar hem toe, schoot weer de lucht in, het dook omlaag, maakte wat zijdelingse capriolen, raakte het asfalt, probeerde hoogte te winnen en zeilde ten slotte uitgevlogen onder een auto.

Het was een bankbiljet. Nog nooit had hij geld gevonden en nu was hij er heel dichtbij. Gevonden, het was eerder naar hem toegewaaid, het had hem uitgekozen.

Hij zette z'n fiets tegen een boom en keek onder de auto. Daar lag het, half verscholen achter de binnenkant van een wiel. Hij zou blij moeten zijn en toch pakte hij het met een zekere tegenzin, of hij niet wilde samenvallen met de gebeurtenis die zich om hem heen leek te willen voltrekken.

Naar de politie? Daarvoor was het bedrag te klein. Hij deed het biljet niet in z'n portemonnee. Terwij hij doorfietste hield hij het onbedekt in z'n hand, of het niet helemaal van hem was, voor een deel ook nog aan de buitenlucht toebehoorde.

Het vel lag niet in de etalage. Wel zag je daar een Indonesische serie met eindeloze rijstvelden, een Amerikaanse die aan jazzmusici was gewijd, en dan nog een groot aantal doorzichtige mapjes met gestempelde zegels, oud zo te zien, en toch moesten ze, als je de hoeveelheid bekeek, afzonderlijk zo goed als waardeloos zijn.

De vrouw had de hele zeventiende eeuw in voorraad, keurig bij elkaar, met kartels aan de rand. Hij wist van te voren wat het kostte, kon de winkel nog uitlopen, omdat hij geen deel uit wilde maken van een voorval met de logica van een droom.

Ze noemde het bedrag en hij schoof het biljet, dat hij onder de auto had gevonden, naar haar toe. Hij dacht aan de muis in de loods van ijzerdraad, als het voorval achter hem wordt dichtgeklapt.

Volgende week: de afstandsbediening