Duitsers vinden me een fascist

De Luxemburgse architect Rob Krier heeft in Nederland met zijn traditionele ontwerpen veel succes. ,,Nederlanders hebben een hang naar romantiek.''

Rob Krier is verbaasd. Nadat ik hem heb verteld dat enkele bewoners van het door hem ontworpen kasteelachtige appartementencomplex De Meander in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt hebben geopperd het omliggende autovrije terrein met slagbomen af te sluiten, zegt hij: ,,Hoe is het mogelijk! Er is echt iets veranderd in Nederland. Nederland – dat is toch het land van de huizen met grote etalageramen? Het land van de openheid en tolerantie? Het is beslist niet mijn bedoeling dat de Meander een vesting in de buurt wordt. Ik wilde eigenlijk niet eens dat het gebied om de Meander autovrij zou worden. Auto's houd je niet tegen, maar het moest van de gemeente. Het is nu een kunstmatig, dood stuk stad geworden. Als het aan mij lag, was er ook nog een extra poort in het complex gekomen. Maar die is door de bezuinigingen gesneuveld.''

Het is een week voor de moord op Fortuyn, als ik de van oorsprong Luxemburgse maar in Berlijn gevestigde architect Rob Krier bel om een afspraak te maken voor een gesprek. Over het Meandercomplex, waar ik sinds augustus 2001 woon, vertel ik hem dan ook nog dat er trammelant is over een speelplaatsje in de tuinen rondom het complex. Kinderen zouden hier, op proef, op zaterdagmiddagen komen spelen. Krier is bereid om gratis een schuurtje voor het speelgoed te ontwerpen, en heeft nog niet gehoord dat het hele plan niet doorgaat omdat een aantal bewoners wegens mogelijke overlast een speelplaatsje zelfs niet op proef wil. ,,Mein Gott'', zegt Krier. ,,Not In My Backyard. Nederland begint steeds meer op de rest van de wereld te lijken.''

Weken later ontmoet ik Rob Krier op Schiphol. Hij is in Nederland om een architect uit te zoeken voor een school in het door hem ontworpen centrum van Vleuterweide, een deel van de Utrechtse Vinex-wijk Leidsche Rijn. Terwijl we naar een restaurant op Schiphol lopen, praat hij vol geestdrift over zijn werk in Nederland. ,,De Vinex-wijken zijn ongekend'', zegt hij. ,,Het zijn complete steden. Zo planmatig bouwt men nergens ter wereld steden.'' Behalve bij Vleuterweide is hij ook bij andere Vinex-wijken betrokken. Zo heeft hij het nu in aanbouw zijnde Brandevoort bij Helmond ontworpen en Broekpolder, de Vinex-wijk bij Heemskerk waarvan de bouw nog moet beginnen.

Sardientjesblik

Natuurlijk heeft hij wel gehoord van de kritiek in Nederland op de Vinex-wijken, die worden afgeschilderd als saai, monotoon en krap. ,,Sommige Vinex-wijken lijden inderdaad onder een al te schematische opzet'', geeft hij toe. ,,Onlangs zag ik nog in Leidsche Rijn rijtjeshuizen die allemaal eender waren. Moet je je voorstellen: een gevel van een kilometer met steeds dezelfde woningen. Alleen op de hoek had de architect iets afwijkends verzonnen. En als je de hoek dan omging, zag je weer zo'n lange, monotone gevel. Het is natuurlijk niet helemaal onbegrijpelijk dat architecten het zo doen: het is de enige manier om nog een beetje een behoorlijk honorarium te krijgen voor je werk. En voor de projectontwikkelaars is het de gemakkelijkste en goedkoopste manier van bouwen. Maar zo maak je geen steden. Het is om te kotsen! Driehonderd keer hetzelfde bouwen – dat is waanzin! Een gezin hoort toch niet thuis in een sardientjesblik? Het gaat om mensen, om individuen – dat is toch het minste dat een architect moet begrijpen.''

In zijn eigen werk grijpt Krier terug op oude, premodernistische stedenbouw. Samen met zijn compagnon Christoph Kohl werkt Krier nu aan twintig opdrachten in Nederland, van Bergen op Zoom tot Amersfoort en van Ouderkerk aan de Amstel tot Zwolle. Kriers Nederlandse succes begon veertien jaar geleden toen hij betrokken raakte bij de Resident, de nieuwe wijk bij het Centraal Station in Den Haag die nu praktisch gereed is. Hier paste hij zijn traditionele stedenbouw toe op een grootsteedse schaal, compleet met een aantal grote kantoortorens, die door architecten als Cesar Pelli, Michael Graves en Sjoerd Soeters zijn ontworpen. Krier is niet helemaal tevreden over de uitvoering van De Resident. ,,De Resident is niet gevarieerd genoeg'', zegt hij. ,,Het was bijvoorbeeld niet mijn wens dat de Italiaanse architect Natalini de hele bebouwing rondom het plein voor zijn rekening heeft genomen. Daar had ik veel meer architecten aan het werk willen zetten. Maar dat bleek economisch niet haalbaar. Ik had ook veel meer winkels gewild. Er zijn nu veel te veel woningen op de begane grond gekomen. Dat is gebeurd onder druk van de bestaande Haagse winkeliers, die geen concurrentie wilden. Daardoor is het in De Resident nu een beetje een dooie boel.''

Nog tijdens de bouw van De Resident kreeg Krier nieuwe opdrachten in Nederland. In Amsterdam bouwde hij de Noorderhof, een wijkje dat met besloten pleintjes en straatjes het tegendeel is van de open, modernistische westelijke tuinsteden waarin het ligt. Veel groter dan de Noorderhof is Brandevoort, de Vinex-wijk van 6.000 woningen bij Helmond. Brandevoort krijgt de vorm van een oud lijkend dorp met kronkelende straatjes en gevelwanden die bestaan uit allemaal verschillende maar altijd traditionele huizen. Het centrum van het dorpje bestaat uit een wijk die is gebouwd als een vestingstadje, compleet met een gracht eromheen. Een soortgelijk wijkje met een gracht eromheen heeft Krier ook ontworpen voor Haverleij, de Vinex-wijk bij Den Bosch die verder zal bestaan uit negen `kastelen' met appartementen die over het land verstrooid zijn.

In het restaurant legt hij uit hoe hij bij de Meander en andere Nederlandse projecten te werk gaat. ,,Ook ik heb tijdens mijn opleiding geleerd dat de gevel het innerlijk van een gebouw moet weerspiegelen'', zegt hij. ,,Maar dat is modernistische onzin. Een gevel is als kleding, die je naar believen kunt veranderen. Ik had de Meander ook groen, rood en blauw kunnen laten schilderen, ik had de gevel op duizend verschillende manieren kunnen maken. In gevels kun je je verbeelding en fantasie kwijt. Natuurlijk zijn er, net als bij kleding, wel beperkingen. Zo heeft een woongebouw verschillende zones: het wonen op de begane grond is anders dan het wonen onder het dak en moet dus op een andere manier worden vormgegeven.'

Zijn succes in Nederland kan Krier niet echt verklaren. ,,Nederlanders hebben een hang naar romantiek – dat is de enige reden die ik kan verzinnen'', zegt hij. Kriers succes strookt in ieder geval niet met het beeld dat recente architectuurboeken als Superdutch oproepen van Nederland als het modernste architectuurland ter wereld, een land waar dank zij Rem Koolhaas, MVRDV en alle andere `supermodernistische' architecten de toekomst al is te zien. ,,In de Nederlandse architectuur zie je inderdaad veel meer experimenten dan in bijvoorbeeld de Duitse'', zegt Krier. ,,Maar het mooie van Nederland is ook dat naast de hypermoderne architectuur ook plaats is voor traditionele architectuur. Ik ben niet de enige die succes heeft met traditioneel werk. Brandevoort wordt bijvoorbeeld vrijwel helemaal uitgevoerd door Nederlandse architecten. Ik heb slechts het stedenbouwkundig plan gemaakt. Wat dit betreft is Nederland een heel tolerant land. Het is heel moeilijk om tolerant te zijn, zo heb ik ondervonden. In andere landen heb ik nauwelijks succes gehad. Ik ben begonnen in Wenen en heb daar ook een paar dingen gebouwd, maar niet genoeg om van te kunnen leven. Oostenrijkers houden buitenlanders het liefst buiten. In Duitsland word ik als een soort fascist beschouwd. Duitsers zitten nog erg met hun nazi-verleden en dat bepaalt nog steeds de architectuurdiscussie. Een pleidooi voor ambachtelijke architectuur is in Duitsland verdacht, omdat de nazi's daar ook voor waren. Laatst nog werd ik in de Frankfurter Allgemeine in verband gebracht met ultrarechts. De associatie met nazi's is een garantie voor werkloosheid. Zelfs in het nieuwe Berlijn, dat hier in Nederland toch bekend staat als een stad die op het verleden is gericht, krijg ik geen kans.''

Omdat Kriers werk niet past in het Nederlandse zelfbeeld als modernste land ter wereld, krijgt zijn werk weinig aandacht in de vakpers. En als er over wordt geschreven, dan vrijwel altijd in negatieve termen. De belangrijkste kritiek is dat men in deze tijd van toenemende mobiliteit, globalisering en computers niet meer zo traditioneel kan en vooral mag bouwen als Krier. Kriers werk is unzeitgemäss, zo valt de kritiek samen te vatten, en getuigt van een kitscherig en reactionair verlangen naar een voorbije tijd. Zo merkte een criticus over De Meander bijvoorbeeld op dat dit complex de Amsterdamse Staatsliedenbuurt ,,een verleden had gegeven dat de buurt nooit had gekend.''

,,Wees blij, zou ik zeggen, dat ik het verleden niet heb herhaald'', zegt Krier lachend. ,,Ach, zoveel is er niet veranderd in de 5.000 jaar dat er steden worden gebouwd. De mens is wat groter geworden, maar heeft nog altijd twee benen. Natuurlijk bevat een huis veel meer leidingen voor elektriciteit, telefoon, gas, riolering enzovoort dan vroeger en natuurlijk moet je met zoiets als auto's rekening houden. Maar de mens leidt nog steeds een dagelijks leven van eten, werken en slapen en heeft in veel gevallen nog altijd een gezinsleven. En daarom is het nog steeds nuttig om na te gaan hoe oude, aantrekkelijke steden in elkaar zitten en daar regels voor stedenbouw uit af te leiden. Stedenbouw is iets dat kan worden geleerd.''

Verzamelnaam

Welke regels dat zijn, beschreef Krier in 1975 in Stadtraum uit 1975. Dit boek, dat in verschillende talen is vertaald en vol staat met voorbeelden uit 5.000 jaar stedenbouw, maakte hem tot een van de pioniers van het postmodernisme. Inmiddels hebben critici en collega-architecten het postmodernisme van Krier en anderen al vele malen doodverklaard. Daar is Krier alleen maar blij om. ,,Postmodernisme was van begin af aan een onzinnig begrip, dus is het niet erg dat de dood ervan is vastgesteld'', legt hij uit. ,,Postmodernisme is een begrip dat uit de filosofie en de wetenschap afkomstig is. Daar heeft het een vrij nauwkeurige betekenis. Het werd door een criticus die ook architect is, Charles Jencks, geïntroduceerd in de architectuur. Maar het is nooit meer dan een journalistieke verzamelnaam geweest voor allerlei stromingen en opvattingen die weinig of helemaal niets met elkaar hadden te maken.''

Onder het eten van een pasta met zalm vertelt hij uitgebreid hoe hij brak met modernistische architectuur. Na zijn opleiding tot architect in München, die geheel in het teken stond van het modernisme, reisde hij begin jaren zestig door Europa. Vooral de wederopgebouwde steden in Duitsland troffen hem. Hij kan er nu nog altijd boos over worden. ,,Iedereen moet nu toch inzien wat voor misère de stedenbouw ons de laatste vijftig heeft gebracht. En hoe ontwerpers politici en andere verantwoordelijken hebben bedrogen met hun Scheissdreck!'', sist hij.

Iets rustiger legt hij uit waar de Scheissdreck van de moderne architectuur en stedenbouw precies uit bestaat. ,,In de twintigste eeuw is de stedelijke ruimte verloren gegaan. De straten en de pleinen zijn vernietigd, het gesloten bouwblok en het huis zijn verdwenen. Het probleem van de massamaatschappij is in de architectuur en stedenbouw heel technocratisch, simpel en goedkoop opgelost. Namelijk door gebouwen te maken die gemakkelijk seriematig te bouwen zijn en dus niet op een ingewikkelde manier de hoek om gaan. Het hoekhuis is verdwenen in de nieuwe steden en stadsuitbreidingen. Maar een bouwblok zonder hoeken is geen stedelijk bouwblok. Juist op haar gevoeligste plekken – de straathoeken dus waar niet voor niets zo vaak winkels zijn te vinden in oude steden – is de stad vernietigd. Daar botsen de openbare ruimte van de straten nu op de private ruimte van de binnenterreinen en is er iets onduidelijks en onbestemds ontstaan. En alsof dat nog niet erg genoeg is, hebben de bouwblokken zonder hoeken vaak ook nog eens blinde muren op de kopse kanten.

,,Architecten als Le Corbusier hebben de woning gereduceerd tot een machine à habiter. Zijn Unités d'habitations in Marseille en Berlijn lijken in niets op een traditioneel huis, ze bestaan als het ware uit abstracte woningen. Ik heb eens in Buenos Aires een wijk gezien met zes of acht van zulke Unité-achtige gebouwen. Die waren in de plaats gekomen van een krottenwijk. Het eerste dat de vroegere krotbewoners deden, was hun nieuwe huizen ontmantelen en de wc-potten en badkuipen verkopen. Ze gingen onmiddellijk weer op de begane grond wonen en bouwden daar tussen de Unités hun krotten met golfplaat weer op. Ze hadden begrepen dat de Corbusier-machines hen kapot zouden maken en menselijke betrekkingen onmogelijk zouden maken.''