De daling van het land

Het water vormt voor Nederland een van de grootste gevaren: zonder dijken zou een groot deel van het land overstromen. Door twee gelijktijdig optredende verschijnselen – een nog steeds doorgaande daling van het land en een stijging van de zeespiegel – zal ook in de eenentwintigste eeuw het thema van waterbeheersing hoog op de politieke agenda blijven staan. Het zijn echter niet alleen natuurlijke verschijnselen die onze voorouders tot een gezamenlijke `strijd tegen het water' mobiliseerden. Wellicht de belangrijkste oorzaak ligt bij menselijke activiteiten zelf.

Vóór 800 n.Chr. was het Nederlandse landschap nog maar nauwelijks door de mens beïnvloed. Niet alleen lag het land hoger dan nu, het zag er ook heel anders uit. Zeeland en de Zuid-Hollandse eilanden bestonden nog niet, het waren veen- en zeekleigebieden die door rivieren doorsneden werden. Van de monding van de Maas tot Vlieland werd het land begrensd door duinen en zandstranden, die een immens veengebied beschermden, dat nagenoeg heel Noord- en Zuidwest-Nederland omvatte. Deze veenmassa lag royaal boven de zeespiegel en liep daardoor – ondanks het ontbreken van dijken – niet onder. Ongeveer vijf eeuwen later was er veel veranderd: Nederland had veel land aan het water moeten prijsgeven. Rond 1250 was Zeeland een eilandenrijk geworden en de Zuid-Hollandse eilanden en de Waddeneilanden waren losgeraakt van het vasteland. Ook het middelste deel van Noord-Holland bestond uit eilanden, die slechts door een duinenrij van de Noordzee waren gescheiden.

De zoektocht naar een verklaring voor onze gezamenlijke strijd tegen het water begint bij de groei van het inwonertal. Tussen 800 en 1250 nam de bevolking van het gebied dat nu Nederland genoemd wordt toe van 100.000 naar 800.000 inwoners. Een deel vestigde zich in de moerassige veengebieden; ontginnen was toen nog geen ingewikkelde zaak. De dikke veenpakketten lagen 1 à 3 meter boven het zeeniveau. Als er een sloot gegraven werd, vloeide het water vanzelf weg. Op de enigszins droog geworden grond was akkerbouw goed mogelijk. Tot aan het begin van de vijftiende eeuw werd in Holland voldoende gerst en rogge verbouwd om de gehele bevolking te kunnen voeden.

Een samenspel van factoren leidde echter tot een daling van de bodem, die graanverbouw al snel onmogelijk maakte. Door het graven van slootjes werd water aan de bovenste lagen onttrokken, waardoor de opwaartse druk in deze grondlagen verminderde. Onder invloed van het eigen gewicht werden deze lagen samengedrukt (inklinking). Veen dat door ontwatering boven het grondwaterpeil kwam te liggen, begon te krimpen. Daarnaast was een deel van het organische materiaal door oxidatie vergaan. Ook de druk van buitenaf (landbouwmachines) bevorderde een daling van het maaiveld. Die verliep met gemiddeld een meter per eeuw verbazend snel. Delen van Holland waren rond 1500 al tot ongeveer het zeeniveau gedaald.

Vanaf de dertiende eeuw werd in West-Nederland op een grootschalige en systematische wijze aan turfwinning gedaan. Aanvankelijk werden alleen de bovenste lagen van het veen voor de turfwinning gebruikt. Het mosveen diende als brandstof voor enkele energieverslindende nijverheden, zoals bierbrouwerijen, steenbakkerijen en zoutziederijen, en voor de verwarming van huizen. Tot 1500 werd de turf vooral gegraven. De uitgegraven gaten waren niet diep en groeiden na verloop van tijd weer dicht, waarna ze weer als hooi- of weiland dienst konden doen. Het nadeel van deze vorm van turfwinning was dat er een grote oppervlakte vergraven moest worden. Om in de brandstofbehoefte van Holland te voorzien moest jaarlijks 50 hectare land op de schop.

Vanaf het begin van de zestiende eeuw ging men steeds meer over tot het baggeren van turf. De brandstof werd gewonnen door de turf met een baggerbeugel – een lange stok met aan het uiteinde een net of mand – onder de waterspiegel weg te baggeren. De specie werd op legakkers uitgespreid om te drogen. Nadat het materiaal enigszins was ingedikt werd het versneden. Als de turven zo ver waren ingedroogd dat ze hun vaste vorm behielden, werden ze opgebroken en opgestapeld. Met de baggerbeugel was men in staat tot diep onder de waterspiegel het veen weg te halen, waardoor er diepe plassen ontstonden. Onder invloed van de door wind veroorzaakte golving, kalfden de oevers van deze veenplassen voortdurend af. Wat begon als een aantal verspreid liggende plassen, groeide uit tot een reusachtig meer. Met als bekendste voorbeeld de Haarlemmermeer. Na een serie van zware stormen tussen 1506 en 1509 werden enkele voorheen gescheiden veenplassen met elkaar verbonden. In de daarop volgende eeuwen breidde dit meer zich uit tot een oppervlakte van 16.850 hectare in 1848.

In de zeventiende eeuw beschouwden de Hollanders de uitdijende veenplassen reeds als een gevaar. Zo ontwierp Leeghwater in 1641 een ingenieus plan tot drooglegging van de Haarlemmermeer. Volgens zijn berekening waren hiervoor 160 molens en een kapitaal van 3,5 miljoen gulden nodig. Hoewel zijn boek in de zeventiende en achttiende eeuw diverse herdrukken beleefde, kwam het werk pas in de negentiende eeuw tot uitvoering: in plaats van 160 molens volstonden toen drie stoomgemalen om de immense veenplas droog te malen.

Het ontstaan van de geweldige plassen, die overbleven na vervening van het land, vormen het bekendste voorbeeld van ecologische schade die de mens in de vroegmoderne tijd op het platteland aanrichtte. Omdat het een sluipende ontwikkeling betrof en het niet een plotseling optredend fenomeen werd dit verschijnsel niet beleefd als een ramp. Uit de talrijke voorbeelden van uitgevaardigde regelgeving blijkt dat deze landschapsvernietiging al in de zeventiende eeuw de overheid veel zorgen baarde. Het leidmotief was echter niet natuur- of landschapsbehoud, maar de angst dat het verlies van (cultuur)land zou leiden tot een vermindering van de belastingopbrengsten.

G.P. van de Ven, Leefbaar Nederland. Geschiedenis van de waterbeheersing en landaanwinning in Nederland (1993); P.J.E.M. van Dam, Sinking Peat Bogs. Environmental Change in Holland, 1350-1550 (2001).