Tropische koopwaar

Van hun avontuurlijke reizen door Papoea Nieuw Guinea namen reisleiders Koos Knol en Paula van den Berg altijd kleine kunstvoorwerpen mee. De voorwerpen werden talrijker en groter. Kauri New Guinea Travel werd Kauri New Guinea Art.

Het begint als een natuurfilm over een tropisch paradijs. Met een vloeiende beweging glijdt de camera langs een brede, door palmbomen omzoomde rivier. Het is de Mimika op West-Papoea, een van de meest ongerepte natuurgebieden ter wereld. Maar in plaats van de roep van de kaketoe of het gekwaak van boomkikkers klinkt plotseling gezwoeg en gesteun. Zo'n twintig knoestige, halfblote mannen vullen het beeld. Vol overgave sjorren zij aan een zware houten prauw waarin mythische voorstellingen zijn uitgesneden. Als het gevaarte na veel geploeter op de oever ligt, weerkaatst het zonlicht in een grote handzaag. Zonder te dralen beginnen twee donkere kerels de zestien meter lange boot doormidden te zagen. Een Papoea-vrouw kan het beulswerk niet aanzien. Ze draait de zagende mannen haar rug toe en begint met lange uithalen te huilen. Het verslag eindigt met een close-up van de besnotterde kin van de vrouw.

,,Ik kon het niet nalaten om in te zoomen'', becommentarieert cameraman Koos Knol de beelden. ,,Die boot kon alleen in twee stukken op transport naar Nederland. En dat huilen moet je niet te zwaar opvatten. Je ziet wel grote tranen en echt snot, maar het raakt niet aan ons huilen. Die boot is een Adat-prauw voor ceremoniële plechtigheden. En die tranen zijn een eerbetoon aan voorouders.''

Als Koos Knol in zijn bedrijf in Wormerveer de filmcassette uit de camcorder haalt, vertelt hij over zijn liefde voor Nieuw Guinea. Hoe hij als zoon van een zendingsonderwijzer 52 jaar geleden op het Indonesische gedeelte van het eiland werd geboren. Hoe hij later in Utrecht besloot antropologie te gaan studeren. En hoe alleen het spookbeeld van een wetenschapsleven tussen vier muren hem weerhield van een promotie onderzoek over Nieuw Guinea.

Liever wilde Knol op een meer directe wijze anderen laten delen in zijn kennis van z'n geboorteland. In 1991 richtte hij daarom Kauri New Guinea Travel op. Een oude aanbiedingsfolder van het reisbureau rept van `avontuurlijke jungletrektochten voor vogelliefhebbers' en `expedities naar de bergen van Irian Jaya'.

Samen met zijn compane Paula van den Berg (53) organiseerde Knol vele tientallen trektochten, eerst voor een Nederlands publiek, daarna ook voor Duitse en Amerikaanse toeristen. Van hun reizen namen de reisleiders altijd kleine kunstvoorwerpen mee. Knol verzamelde zelf etnografica en in de loop der jaren begon hij met de verkoop aan geïnteresseerden. Al snel kwam de vraag of de reisleiders geen grotere stukken konden meenemen. Bijvoorbeeld schilden, dansmaskers, bisj-palen (hoge voorouderbeelden) en zielenprauwen. Drie jaar lang combineerden Knol en Van den Berg daarna het reisbureau met de handel in kunstvoorwerpen. Maar omdat beide activiteiten zich steeds slechter lieten combineren en de handel steeds lucratiever bleek, is Kauri vanaf 1996 nog uitsluitend een grossiersbedrijf in kunst- en gebruiksvoorwerpen uit Nieuw Guinea.

Twee keer per jaar gaan Knol en Van den Berg ongeveer twee maanden lang op inkoopreis. De rest van het jaar verkopen zij vanuit het voormalig kantoor van de gasfabriek van Wormerveer hun exotische handelswaar. Vanuit heel Europa weten handelaren en galeriehouders de weg naar de Zaanstreek te vinden. Op afspraak zijn ook particuliere verzamelaars welkom. Amerikaanse klanten bedient Kauri vooral via de website van het bedrijf. Als het pand na vier maanden verkoop leeg raakt, wordt het tijd voor een nieuwe inkoopreis.

Met zo'n tachtig kilo bagage – klamboes, medicijnen en veel cadeaus als T-shirts, vishaken, vislijnen, zonnebrillen voor albino's, gewone brillen, parfumsets en pennen en schriften – gaan Knol en Van den Berg op pad. Het moerassige Asmat-gebied aan de westkust, waar het gelijknamige jagersvolk woont dat veel houtsnijkunst maakt, staat altijd wel op het program. Daarnaast proberen de twee antropologen steeds een nieuw gebied te verkennen in Papoea en op de eilandgroepen ten oosten daarvan, Papoea Nieuw Guinea en Vanuatu.

Als het kan kondigen de inkopers via de missie hun komst bij stammen aan. Soms maken ze gebruik van een lokale tolk, maar doorgaans reizen ze alleen. Van den Berg: ,,We spreken beiden Bahasa Indonesia en Tok Pisin, een creoolse taal die in Papoea Nieuw-Guinea de lingua franca is. We komen weleens op plekken waar in geen twintig jaar een blanke is geweest. Gevaarlijk? Nee hoor. Er zijn een paar gebieden waar je zonder begeleiding beter niet naar toe kunt gaan. Maar over het algemeen zijn de mensen heel hartelijk.''

Als ze bij een dorp aankomen leggen Knol en Van den Berg uit wat ze willen. Aan de gastheren en hun familie geven ze cadeautjes, zoals gebruikelijk is in Melanesië. Ze eten met de lokale bevolking mee en overnachten in lokale mannenhuizen of schooltjes. Ze praten met het dorpshoofd, de dorpsoudsten of met de kepala suku, de persoon die de stamrituelen en ceremoniën regelt en handhaaft. Via deze voorlieden zoeken Knol en Van den Berg contact met de lokale kunstenaars die de traditionele voorwerpen maken die vroeger, en soms nog steeds, een rol speelden bij rituele en ceremoniële plechtigheden. Knol: ,,Die mensen zijn heel blij dat er voor hen een nieuwe bron van inkomsten is.''

Bij het onderhandelen houden de grossiers rekening met wat een voorwerp in Europa waard is en hoeveel het kost om het daar te krijgen. Knol: ,,In afgelegen gebieden hebben ze soms geen notie van de waarde van geld. Het komt voor dat ze twee euro willen hebben voor iets dat zeker vijftig euro of meer waard is. Van die onkunde mag je niet profiteren. In zo'n geval betalen we gewoon vijftig euro.'' Van den Berg: ,,Het is soms schipperen met je geweten. In elk geval betalen we beter dan lokale Indonesische handelaren.''

Beroven de grossiers een ontwikkelingsland niet van z'n waardevolste cultuurgoederen? Een onzinnig verwijt, zegt Knol. ,,Wij hebben geen neokoloniale houding. Als eigenaren een emotionele band hebben met een spleettrom van overgrootvader, dan moet die daar blijven. Daar moet je niet over doorzeuren. Elke reis horen we wel twintig keer dat iets niet te koop is. Oké, even goede vrienden. Dan maken we alleen foto's.''

Maar het gebeurt wel dat de eigenaar bij een volgend bezoek de spleettrom alsnog aanbiedt. Bijvoorbeeld omdat hij geld nodig heeft voor een nieuwe kerk of omdat hij schoolgeld nodig heeft voor een zoon of dochter. Knol: ,,Moeten we ons dan paternalistisch opstellen en gaan bepalen dat het geen goede beslissing van de eigenaar is? Die Papoea's kunnen heus zelf bepalen wat ze willen.''

De oogst van een reis bestaat uit zo'n 800 tot 1.200 kilo aan voorwerpen. Kleine voorwerpen nemen Knol en Van den Berg direct mee in hun gehuurde prauw. Grote voorwerpen, zoals de zestien meter lange Adat-prauw die Kauri voor het Volkenkundig Museum in Dresden collectioneerde, gaan per vrachtwagen naar een lokaal vliegveld. Uiteindelijk komen alle spullen per boot of als luchtvracht naar Nederland. Met de Indonesische luchtvaartmaatschappij Garuda sloot Kauri een gunstig contract. Ook veel eenvoudige voorwerpen kunnen daardoor met het vliegtuig naar Nederland worden vervoerd. Als er weer eens een zending houten schilden op Schiphol is aangekomen, krijgt Van den Berg van de douane een telefoontje: ,,Jullie brandhout staat klaar. Wat moet je toch met die surfplanken?''

Dit is het vierde artikel van een serie over bedrijven die een gat in de markt ontdekten. Eerdere afleveringen verschenen op 11 juli, 18 juli en 1 augustus zijn op internet te lezen op www.nrc.nl.