Sollicitatieplicht voor ouderen is zinvol en sociaal

In zijn artikel `Sollicitatieplicht voor ouderen is zinloos' noemt Eric van Bruggen de sollicitatieplicht voor ouderen boven de 57, 5 jaar ,,typisch een voornemen van politici die ver van de dagelijkse praktijk, in dit geval van de arbeidsmarkt, afstaan en die zich niet afvragen of datgene wat ze willen ook praktisch haalbaar is'' (Opiniepagina, 1 augustus).

Een opmerkelijk standpunt omdat de geestelijk vader van dit idee, de Raad voor Werk en Inkomen (RWI), nou net met voorstellen wil komen die mensen aan werk helpen én aan het werk houden. Vandaar ook dat de RWI uit vertegenwoordigers bestaat van gemeenten, werkgevers en werknemers: uit mensen die bovenop de praktijk van de arbeidsmarkt zitten.

Volgens Van Bruggen is het uit maatschappelijk oogpunt beter wanneer bedrijven – nu de jeugdwerkloosheid weer toeneemt – jonge werklozen gaan aannemen. Zuur, zo geeft Van Bruggen toe, maar de 57-plusser nadert toch het einde van zijn werkzaam leven.

De RWI heeft niet geadviseerd om voor 57-plussers zonder meer een sollicitatieplicht in te voeren, maar alléén voor degenen met recente werkervaring. Cijfers wijzen uit dat deze mensen goede kansen hebben om snel weer een baan te vinden. Tegelijkertijd is uit onderzoek naar de mate van werkhervatting binnen twaalf maanden na instroom in de WW gebleken dat personen tussen de 57,5 en 58,5 jaar ongeveer de helft slechter scoren dan personen tussen de 56,5 en de 57,5 jaar. De conclusie is duidelijk: de sollicitatieplicht werkt. Wie niet meer verplicht wordt te solliciteren, blijkt opeens veel minder snel een nieuwe baan te vinden, of helemaal geen.

Door deze sollicitatieplicht nu ook voor mensen met recente werkervaring ouder dan 57,5 jaar te laten gelden, kan ervoor gezorgd worden dat minder mensen afhankelijk worden van een uitkering. Dit is van groot belang voor het economische draagvlak onder het stelsel van sociale zekerheid. Uiteraard gaat zo'n verlengde sollicitatieplicht gepaard met begeleiding en ondersteuning bij het solliciteren. En als iemand langdurig vergeefs heeft gesolliciteerd, is een verdere verplichting inderdaad zinloos en vrijstelling op zijn plaats.

Terecht vraagt Van Bruggen aandacht voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid en ook de RWI is daar alert op. Alleen, de vraag is of de ouderen tegen de jongeren moeten worden weggestreept. De RWI beantwoordt deze vraag ontkennend. Voor de vitaliteit van de economie is het belangrijk dat ouderen zo lang mogelijk blijven meedraaien op de arbeidsmarkt. In het voorstel van Van Bruggen lopen we het risico dat in versneld tempo steeds minder jongeren (gelet op de demografische ontwikkeling) voor steeds meer ouderen de sociale voorzieningen moeten betalen. De consequentie daarvan is dat arbeid duur wordt, waardoor de werkgelegenheid weer daalt, óók voor jongeren.

Een aloude economische wet luidt: wie kan werken en zo in zijn eigen onderhoud kan voorzien, moet dat ook doen. Oók als die ouder is dan 57,5 jaar. Daar is iedereen bij gebaat: de samenleving, de ouderen en zélfs de jongeren.

Jan van Zijl is voorzitter van de Raad voor Werk en Inkomen.