Schrijven in ballingschap

Van het Fonds voor de Letteren mag ik een maandlang het voormalige huisje van Adriaan Roland Holst in Bergen huren om daar `in ballingschap' eens flink aan het werk te gaan. Er is een tijd geweest, heel lang geleden, dat deze plek een heilig huisje voor me geweest zou zijn. Ik was een tiener van het soort dat nu niet meer bestaat: dwepend met Een Winter aan Zee en Deirdre en de Zonen van Usnach en er niet voor terugdeinzend middelbareschoolvriendjes op het gedicht Zwerversliefde te tracteren.

`Laten wij zacht zijn voor elkander, kind (...) en maar niet het trotse hoge woord van liefde spreken/ want hoeveel harten moesten daarom breken/ onder den wind in hulpeloos verdriet.'' Met het schaamrood op de kaken herinner ik me duidelijk één jongen die het complete vers gereciteerd heeft gekregen. Hij zei `hm' na afloop. Hopelijk is hij het vergeten.

Dat gedweep is al een paar decennia over, maar bijzonder om in dit huis een poosje te mogen vertoeven is het nog wel. Direct bij binnenkomst in de keuken valt mijn oog op een broodrooster op het keukentafeltje. Een gloednieuw broodrooster, neergezet ten gerieve van de eigentijdse schrijversgasten, maar ik moet meteen aan Slauerhoff denken. Toen deze in 1931 een tijdje in het huisje mocht wonen, kwam hij op een dag opeens de sleutel bij de beheerder inleveren, omdat hij op stel en sprong vertrok. De volgende dag besloot de beheerder maar eens te gaan kijken hoe het huisje achtergelaten was en trof daar een nog op de hoogste stand gloeiend broodrooster aan naast een antieke dekenkist, waarin al een flink gat geschroeid was. Dat het kleine, charmante huis met de rieten kap er nog staat is dus ondanks de vrijwel spreekwoordelijk geworden slordigheid van Slauerhoff.

Het huisje is grondig gerenoveerd, binnen haast pijnlijk wit en keurig en nog flink naar verf ruikend. Ooit was het blauw van buiten (`mangelbakblauw van kleur', om nog maar even met de onvolprezen brandstichter Slauerhoff te spreken), er zaten dwarskruisen in de erkerramen en het uitzicht op de weilanden met populierengroepen was nog zonder langsrazend autoverkeer. Nu herinneren alleen de blauwe schuttingen, de openslaande deuren, waar de dichter zo graag tussen zat en een paar opgehangen foto's nog aan de tijden van weleer. Maar de muren zijn hier doordesemd van literatuur. Je ontkomt niet aan de schimmen van de schrijvers die hier op bezoek en aan het werk geweest zijn. De deftige, maar apezatte Bloem die uiteindelijk nog maar één borrel per dag geschonken kreeg. Eddy du Perron die zo onvermoeibaar doorkletste dat de gespreksgenoten maar een eindje gingen wandelen om van hem af te zijn. Herman Gorter die er na een stevige wandeling vanuit zijn eigen huisje in de duinen van Bergen aan Zee, vief en lenig in sportkleding op een tafel hangend, even uitrustte. De dichter P.C van Eyck die er narrige literaire meningsverschillen kwam uitvechten. En de schimmen van alle dames die de dichterprins - die naar verluidt tot op gezegende leeftijd in de liefde zijn mannetje nog stond - in de loop van de jaren geïnspireerd en van het werk gehouden hebben. In de twee slaapkamers van het huisje hoor je hun stemmen nog steeds lispelen onder de rieten kap.

Nu nog mijn schroom overwinnen om hier te werken. Dat kost even tijd, want ik ben een aartspiekeraar en een zeurkous van de bovenste plank, bovendien kampioen stuntelen op de pc, dus ik zit eerst een halve avond achter de computer van het Fonds te mokken dat `ik het op deze computer niet kan' en me de rest van de avond te sappel te maken over het verschil in `levenssfeer' tussen de oude dichter en mijzelf.

Roland Holst kon nauwelijks leven zonder de zee. `Zee - gij kastijdt en loutert. Aan uw wezen/heeft steeds weer de eeuwige geest/ mij tot inkeer genezen.' Hij leidde, tussen zijn depressies en amoureuze besognes door, broos als hij was, een ferm, Spartaans leven vol wandelingen naar en langs zee; volgens Victor van Vriesland zwom hij zelfs 's winters tussen de ijsschotsen (?). Ik ben een stadsmens en een kinderachtige binnenzitter. Het `Eens liep zij hoog te spreken langs de Noordzee/ een dag kermde om aan te breken - zij overstemde hem' slaat beslist niet op mij. Hij was daarbij een dichter, ik een prozaïste in hart en nieren. Ben ik wel geschikt voor deze literaire ballingschap? Gedijen de hoofdpersonen uit mijn toch al zo lang verwaarloosde roman hier wel?

Maar zie, de volgende ochtend zit ik achter de computer en tik in een paar uur drie fikse alinea's. Niks geen intimiderende `geest van Jany'. Niks geen `kan het alleen maar aan mijn eigen bureau'. Ook ga ik helemaal niet stiekem in bikini in de zon liggen, terwijl het Fonds voor de Letteren toch vast geen controleur zal langssturen om erop toe te zien dat er gewerkt wordt. Ik wèrk gewoon, ook `s middags. Er zit hier echt iets in de muren. Dat ik aan het eind van de dag een extra gin-tonic neem en 's avonds nog een tweede cognacje, valt mij niet aan te rekenen. Die schim van Bloem krijg je hier natuurlijk niet zo snel weg. Ik zal heus 's ochtends het broodrooster wel netjes uitzetten.

(wordt vervolgd)