`Politiek' kabinet voor ministers ongewenst

Het incident rond Bomhoff en zijn top-ambtenaar mag geen aanleiding zijn om bewindslieden te omringen met partijpolitieke vertrouwelingen, vindt Frans Kok.

Vooralsnog lijkt het onhandige en bruuske optreden van minister Bomhoff tegen een van zijn topambtenaren een eenmalig incident. De nieuwe bewindsman is intelligent genoeg om te beseffen dat een regelrechte oorlog met zijn departement nooit in zijn voordeel kan uitpakken.

Er is dan ook geen enkele reden opeens de instelling te bepleiten van een eigen politiek kabinet voor elke minister, zoals oud-diplomaat Bruins deed (Opiniepagina, 31 juli). Bruins ziet in deze partijpolitieke ondersteuning een panacee voor door hem gesignaleerde problemen tussen de politieke en de ambtelijke leiding van de ministeries. Dit is echter een heilloze weg. Nederland mag zich gelukkig prijzen dat het openbaar bestuur hier nog redelijk functioneert zonder deze `politbureaus'. Introductie hiervan leidt juist tot meer oncontroleerbare machtspelletjes en partijpolitiek gekonkel. Bovendien past het slecht in het coalitie-systeem.

Een bewindspersoon kan best behoefte hebben aan assistentie van een vertrouweling om allerlei (partijpolitieke) klusjes op te knappen. Lange tijd is dit door de ambtelijke toppen met argwaan bekeken en tegengewerkt, maar tegenwoordig heeft niemand meer bezwaar tegen de aanstelling van een politieke assistent. Er zijn ministers die heel goed zonder kunnen, maar voor een nieuweling in de Haagse politiek kan een particulier secretaris met een scherp politiek instinct een uitkomst zijn. Goede communicatie met maatschappelijke organisaties en fractiewoordvoerders kan voorkomen dat een bewindspersoon in een ivoren toren belandt, met alle kans op bedrijfsongevallen van dien.

De formele instelling van een politiek kabinet is echter van een heel ander kaliber. Daarmee zou een nieuwe partijpolitieke laag op een ministerie worden geïntroduceerd, die verwoestend kan werken op de huidige loyale en coöperatieve sfeer die de meeste ministeries kenmerkt. Want wat gebeurt er? De ambtenaren vanaf middelbaar beleidsniveau zullen zich gedegradeerd voelen tot technische apparatsjiks, die de politieke bevelen van de politieke coterie van de minister mogen uitvoeren. Hun neiging om creatief mee te denken met het beleid, wat vanzelfsprekend ook impliceert het in kaart brengen van politieke invalshoeken en afbreukrisico's, zal drastisch verminderen. Immers, van een open, zakelijke discussie is geen sprake meer. Als elke minister, en staatssecretaris, een eigen politieke staf gaat aantrekken, ontstaat in Den Haag een lappendeken van pakweg 25 elkaar beconcurrerende clubjes. Want het is naïef te denken dat zo'n politiek kabinet wordt ingesteld om rust in de tent te brengen. Nee: profileren en aandacht in de media, daar gaat het om. Oncontroleerbaar voor iedereen, ook voor het parlement, want de politieke assistenten zullen zich altijd kunnen beroepen op hun mandaat en de (geheime) partijpolitieke instructies van hun baas. Het politieke primaat moet in ere gehouden worden. Het is goed als dat van tijd tot tijd, zoals nu bij het begin van een nieuw kabinet, expliciet wordt bevestigd. Topambtenaren moeten beseffen dat ze niet ongeacht de verkiezingsuitslag hun oude beleidslijnen of hobby's ongewijzigd kunnen voortzetten. Een ambtenaar die daarmee niet kan leven of zijn minister hinderlijk voor de voeten loopt, moet een ander vak kiezen. En een minister die politiek gewicht mist en aan de leiband van zijn ambtenaren loopt, idem dito.

Normaal gesproken zet de minister (of staatssecretaris) duidelijke politieke lijnen uit en checkt of men zich daaraan houdt. Voor informele contacten met het parlement of het oppikken van signalen uit de samenleving beschikt hij nu al over voldoende ondersteuning – zie het bureau secretaris-generaal (vaak een kweekvijver van jong, ambtelijk talent) of de voorlichters, die politiek meestal goed zijn ingevoerd. Met nog een politiek manusje-van-alles erbij moet dat voldoende zijn. Een intrigerende vraag is overigens waar die toenemende behoefte aan politieke assistentie vandaan komt. En waarom het vooral ministers ter linkerzijde zijn – voor het gemak reken ik Bomhoff daar nog toe – die niet zonder lijken te kunnen.

Toen het fenomeen de kop opstak (met het kabinet-den Uyl, in 1973) was er nog wel enige reden voor. Traditioneel waren de hoogste ambten in Den Haag in handen van de liberalen en de confessionelen. Het waren ietwat bedaagde personen met wie het lastig was de maatschappij te hervormen. Maar die tijd ligt ver achter ons. De Pvda is na twaalf jaar regeren op dit moment sterk oververtegenwoordigd in de ambtelijke hiërarchie en zelfs GroenLinks kon tot voor kort bogen op een heuse secretaris-generaal. Daar zit het dus niet in.

De achterdocht en verkramptheid bij links kan te maken hebben met de gesloten, partijpolitieke clubgeest, waarin men is opgegroeid en carrière heeft gemaakt. Iedereen die geen lid is van de club, behoort tot de (boze) buitenwereld. Men blijft daardoor argwanend ten opzichte van maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven. Diezelfde argwaan hebben zij ook ten opzichte van hun eigen ambtenaren. Hun oplossing is de instelling van een soort politbureau van vertrouwelingen die de nodige rugdekking moet geven. Een oplossing die onjuist en ongewenst is.

Frans Kok is consultant public affairs in Den Haag.