Kamerleden moeten zich niet met de rechtspraak bemoeien

Het is buitengewoon naïef te veronderstellen dat een rechter die er belang bij denkt te hebben in een bepaalde zaak zijn persoonlijke voorkeur door te drukken, daarin zal slagen, meent C. Kelk.

De wijze waarop het Kamerlid Hoogendijk onlangs zijn pijlen heeft gericht op de samenstelling van de rechtbank in de strafzaak tegen de van moord op Pim Fortuyn verdachte Volkert van der G. past wellicht in het recept van dadendrift, doch niet in dat van grote doordachtheid. Zijn bezwaren gelden één van de beoogde rechters die vanwege diens vroegere functie bij Vluchtelingenwerk Nederland zelfs ,,nooit tot rechter had mogen worden benoemd''.

Ook de heer Hoogendijk zal kunnen weten dat tot de harde kernen van ons democratische staatsbestel het functioneren van een onafhankelijke rechterlijke macht behoort. Deze onafhankelijkheid, die deels formeel is gegarandeerd door een aantal (grond)wettelijke regels, houdt in dat de rechter in volkomen zelfstandigheid beslissingen neemt, zonder bij voorbaat gebonden te zijn aan de belangen van andere staatsorganen zoals de uitvoerende macht, noch aan specifieke belangen van individuele burgers. De functionele posities van de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht zijn immers gescheiden overeenkomstig de leer van de Trias Politica. Deze van Montesquieu afkomstige leer dient om een onderling onafhankelijke, dus zuivere, uitoefening van de verschillende staatstaken optimaal te waarborgen. Algemeen erkend is dat dit in het huidige bestel nog het meest van toepassing is en ook hoort te zijn op de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht.

Deze onafhankelijkheid doet bij de rechter tevens een onafhankelijke geest veronderstellen, die hem of haar in staat stelt in alle objectiviteit de nodige oordelen te vellen, dat wil zeggen met een onpartijdige blik, met inachtneming van alle in aanmerking komende aspecten van de zaak en op een bedachtzame en evenwichtige wijze. Niet zonder reden kan hij uitsluitend op grond van een uiterst secure en veelomvattende selectieprocedure tot dit ambt worden geroepen. Om met succes door deze uiterst serieuze en zware selectieprocedure te kunnen komen, zijn dan ook vrij uitgesproken eigenschappen en capaciteiten noodzakelijk.

Mede onder invloed van de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens kan in de strafrechtspraktijk ook reeds de schijn van partijdigheid op zichzelf, welke in een concrete zaak door een bepaalde rechter zou kunnen worden gewekt, voldoende reden zijn deze rechter voor de (mede)behandeling van deze zaak minder geschikt te maken. De achtergrond daarvan kan gelegen zijn in het feit dat de desbetreffende rechter reeds in een eerder stadium bij dezelfde zaak betrokken is geweest, maar dan in een nadere beslispositie (bijvoorbeeld tijdens het vooronderzoek) of dat hij persoonlijk met de verdachte op de een of andere manier zodanig te maken heeft gehad dat deze mogelijk de indruk zou kunnen krijgen van enige bevoordeeldheid.

De rechter die zich om deze reden tegenover de zaak niet (meer) vrij voelt staan, kan zich terstond verschonen waarna een andere wordt aangewezen. De verdachte die iets dergelijks als bezwaar voelt kan trachten deze rechter te wraken: de laatste zal daaruit zelf consequenties kunnen trekken, of zal de beslisssing daaromtrent overlaten aan een andere kamer van hetzelfde gerecht, waarvan hijzelf uiteraard geen deel uitmaakt. De schijn van partijdigheid kan immers ook vals zijn.

Van essentieel belang is dat integere rechtspraak door integere rechters tot de algehele ratio behoort van de structuur van het strafproces. Zo wordt bijvoorbeeld de rechter pas enige tijd nadat de verontwaardiging over het misdrijf is geluwd tot een oordeel geroepen, en kan hij dus bezonnen te werk gaan.

Verder moet in de iets zwaardere zaken (waarin langer dan zes maanden gevangenisstraf wordt geëist) met drie rechters en niet met een alleensprekende rechter worden rechtgesproken. Dit betekent dat subjectieve standpunten en meningen in onderlinge discussies en beraad zullen samensmelten tot een beredeneerde en goedgemotiveerde beeldvorming van daad en dader, waarin geen plaats is voor welke vorm van vooringenomenheid ook, noch ten gunste noch ten ongunste van de verdachte.

Het is dan ook buitengewoon naïef te denken dat in geval een bepaalde rechter er belang bij mocht menen te hebben in een zaak zijn hoogstpersoonlijke, afwijkende, voorkeur er door te drukken, hij daarin ook werkelijk zou kunnen slagen: hij zou door de anderen eenvoudig worden overruled. Evenmin zou dat trouwens voor een politierechter die alleen opereert gelden, aangezien het OM, dat op de zitting in de discussie participeert en zijn requisitoir houdt, zeker niet zonder invloed is en bovendien tegen het vonnis beroep kan aantekenen.

De interne aanwijzing vanwege de rechtbank van degenen die als rechters in een concrete zaak zullen fungeren, staat van een en ander geheel los. Het is het interne rooster dat daarvoor grotendeels bepalend is, terwijl tevens op een zeer zorgvuldige wijze rekening wordt gehouden met mogelijke gevoeligheden en met de ervaringsgraad van de betrokkenen gezien de ingewikkeldheid van de zaak. Daarbij kunnen ook eventuele nevenfuncties van (eveneens plaatsvervangende) rechters een rol spelen, welke tegenwoordig openbaar zijn en ook bij de president van de rechtbank en van het Hof bekend.

Er is geen enkele reden tot twijfel omtrent de zorgvuldigheid die in dit opzicht met betrekking tot de zaak tegen Volkert van der G. is betracht. Integendeel, een zaak die bijzondere publieke aandacht trekt verdient alleen maar extra conscientieusheid.

In dit geval zijn de persoonlijke achtergronden van de aangewezen rechters in de pers zelfs wat uitvoeriger belicht. Dit past in een modernere presentatie van de rechterlijke macht, die vroeger wel eens erg in de anonieme sfeer bleef steken waardoor de onwenselijke suggestie ontstond dat de betrokkenen zonder gezicht en niet van deze wereld waren. Nu het wel van deze wereld zijn juist als een vereiste voor goed rechterschap wordt beschouwd, biedt dit natuurlijk geen enkele grond voor een negatief oordeel over iemands rechterlijke capaciteiten. En als er iemand is die niettemin in een concreet geval hierover zijn twijfels heeft, dan is het alleen aan de verdachte of de officier van Justitie om als partij in de concrete strafzaak met aantoonbare redenen en gefundeerde argumenten op de proppen te komen.

In ieder geval is het absoluut niet aan Kamerleden om zich openlijk te mengen in een bepaalde strafzaak, ook niet als dit de zaak is tegen de moordenaar van de grondlegger van hun politieke partij. Zich associëren met een individuele slachtofferpositie is overenigbaar met de parlementaire verantwoordelijkheid, terwijl bovendien het slachtoffer geen specifieke rol in wrakingsprocedures heeft. En het is al helemáál ongepast om als lid van het parlement de integriteit van een rechter persoonlijk op grond van zijn vorige functie in twijfel te trekken, en om diens rechterschap als zodanig van vraagtekens te voorzien. Dit is een belediging van de leer van de Trias Politica. De volksvertegenwoordiging houdt zich bezig met een zekere controle op de uitvoerende macht, en met wetgeving. Maar zijn neus steken in de dagelijkse gang van zaken bij de rechterlijke macht ligt ver van zijn competentie.

Het bevreemdt tenslotte nogal dat de Vereniging van Strafadvocaten van mening is dat de betrokken rechter door alle commotie teveel is `besmet' om als volledig onafhankelijk rechter in deze zaak te kunnen fungeren. Dit zou wel een heel ruime interpretatie zijn van wat onder schijn van partijdigheid moet worden verstaan. Ik zie niet in waarom een op niets gebaseerde verdachtmaking van de kant van een Kamerlid, dat kennelijk behept is met zorgen over de zwaarte van de straf voor de moord op een door hem geëerd persoon, in die mate serieus zou moeten worden genomen.

Publieke opinie en de pers zullen zich in deze zaak niet onbetuigd laten. Waarschijnlijk zal menig rechter in stilte blij zijn niet voor deze zaak te zijn aangewezen. Maar de gemeenschap mag blij zijn over rechters te kunnen beschikken die zich tegen alle mogelijke spanningen bestand tonen.

Prof.mr. C. Kelk is hoogleraar strafrecht aan de Universiteit Utrecht en tevens raadsheer-plaatsvervanger in het Hof Amsterdam.