Het verschil tussen 75- en 80-plussers

Voor onsterfelijken gelden andere wetten van tijd en ruimte dan voor gewone mensen. Daarom is het niet erg dat ik nu pas wat kanttekeningen maak bij een gesprek dat drie sterren aan Amsterdams culturele universum, Jan Blokker, H.J.A. Hofland en Harry Mulisch, ongeveer een maand geleden met elkaar hebben gehad ter gelegenheid van hun 75ste verjaardag. Vrij Nederland gaf dit gesprek weer in zijn nummer van 20 juli.

Eerlijk gezegd, heeft een column van J.A.A. van Doorn in Trouw van 26 juli mij op dit driegesprek opmerkzaam gemaakt. Die man moet over een fabelachtig knipselarchief plus geheugen beschikken, want hij had dit gesprek vergeleken met soortgelijke gesprekken die de drie heren in 1978 en 1993 hadden gehad, naar aanleiding van hun vijftigste, resp. 65ste verjaardag.

Van Doorn was daarbij ,,iets frappants'' opgevallen: ,,heel wat uitspraken komen vrijwel letterlijk ook in de vorige interviews voor''. Nu, zo frappant is dit nu ook weer niet. Oude heren herhalen graag dezelfde wijsheden en rakelen graag dezelfde herinneringen uit hun verleden op, denkend dat ze iets heel oorspronkelijks debiteren. Ik doe dit al sinds jaren.

Opmerkelijk is de plaatsvervangende functie die de heren zich toekennen: de overtuiging dat zij de enigen zijn die weten hoe de wereld in elkaar steekt. Nu, ik ken tallozen die dezelfde overtuiging toegedaan zijn en mij daar te pas en te onpas mee vervelen. Alleen verschillen die overtuigingen onderling wel enigszins in hun analyse (als dat tenminste niet een eufemisme is). Maar de overtuiging zelf is blijkbaar een hebbelijkheid die allen boven een bepaalde leeftijd eigen is (alweer: mijzelf niet uitgesloten).

De drie komen in het gesprek altijd op de oorlog terug, die ze meegemaakt hebben toen ze ze zijn tussen 27 mei en 29 juli 1927 geboren tussen de twaalf en zeventien jaar oud waren. Ze zaten toen op school, maar het is hun ijkpunt. Dat is heel begrijpelijk: de oorlog of liever: de bezetting is het ijkpunt voor vrijwel iedereen die hem (haar) bewust heeft meegemaakt.

Maar geeft dat Mulisch het recht te beweren: ,,En je merkt natuurlijk dat je ouder wordt als we over de oorlog praten. Dan weten we waar we het over hebben. En we zijn de laatsten die dat weten.'' Nu, dankzij de vorderingen die de medische wetenschap heeft gemaakt, zijn er nog heel wat 80-plussers die zich de bezetting goed herinneren.

En wat meer is: die hebben de bezetting meestal meegemaakt in een positie van zekere verantwoordelijkheid al was het maar de verantwoordelijkheid van de jonge vader die zijn gezin door de hongerwinter moest zien te helpen , terwijl de drie, zoals Blokker zegt, ,,nog nét'' te jong (waren) om een echt risico te lopen'' en ,,in beschermde milieus'' zijn opgegroeid.

Die overlevende 80-plussers hebben oorlog en bezetting ieder van zijn eigen perspectief beleefd: hetzij als die jonge vader, hetzij als onderduiker, hetzij als tewerkgestelde in Duitsland, hetzij heroïscher in concentratiekamp of verzet. En dan spreek ik nog niet eens van de joden die op enigerlei wijze overleefd hebben. Ja, ook de oud-NSB'er heeft, vanuit zijn perspectief, zijn eigen verhaal.

Kortom, zolang de 75-plussers de laatste 80-plusser niet zullen hebben overleefd, zijn zij niet de ,,laatsten die het weten'' voorzover ze het überhaupt `weten', want (en daarin heeft Mulisch gelijk, al spreekt hij zichzelf tegen) ,,dé oorlog bestaat niet. Ieder had zijn oorlog.''

Elders is hij weer erg apodictisch (volgens Van Doorn grossiert hij zelfs in ,,ijzingwekkende gemeenplaatsen''). Zo beweert hij: ,,Na de bevrijding voelden mensen die vijf jaar ouder waren dan wij teleurstelling over de bevrijding. Want alles werd weer zoals vóór de oorlog.''

Inderdaad werd in 1945 heel veel net zoals voor de oorlog. Maar hoe kwam dat? Omdat de meeste mensen dat zo wilden. De uitslag van de eerste naoorlogse verkiezingen (in 1946) was niet radicaal verschillend van die van de laatste vooroorlogse verkiezingen in 1937 (enige uitzondering: de communisten sprongen van 3,4 op 10,6 procent). In elk geval is de door de PvdA verwachte `doorbraak' van het oude politieke stelsel toen niet gelukt.

Ook dat is heel begrijpelijk: na zo'n traumatische ervaring als oorlog en vijandelijke bezetting willen de meeste mensen niets liever dan terugkeer naar de oude, vertrouwde tehuizen. Het is dus de vraag met z'n hoevelen de `mensen' waren die volgens Mulisch teleurgesteld waren over de bevrijding. Sprak hij weer plaatsvervangend?

De heren mogen dan 75 zijn geworden, maar hun geheugen is nog heel goed. Dat van Hofland is zelfs verbijsterend: ,,Ik herinner mij zeer goed dat een Duitse soldaat (na de capitulatie in Rotterdam, waar Hofland vandaan komt) bij zo'n stapel (ingeleverde Nederlandse wapens) stond en zei: `Und er zog seinen Colt.' (...) Ik was daar zeer woedend over.'' Welk een kennis van de Duitse taal en van wapens moet dat twaalfjarige jongetje toen al hebben gehad!

Overigens doet de uitspraak van die Duitse soldaat denken aan de uitspraak: ,,Wenn ich `Kultur' höre, entsichere ich meinen Browning!'', een uitspraak die beurtelings wordt toegeschreven aan Goebbels en Goering, maar in werkelijkheid voorkomt in het toneelstuk Schlageter van Hanns Johst. Het is niet waarschijnlijk dat de twaalfjarige Hofland die uitspraak kende.

Ik ben benieuwd naar het volgende driegesprek: in 2007, 2012 of 2017? Zou dat veel nieuws en oorspronkelijks opleveren? Ik zal er dan waarschijnlijk niet meer zijn om er hier kanttekeningen bij te maken.