De verwende kiezer en het jaloeziemodel

Wat zijn de onderstromen van de `rechtse golf'? Het besteedbaar inkomen gecombineerd met het gedachtegoed van de Franse filosoof Alexis de Tocqueville levert ,,90 procent' van de verklaring, zeggen de econoom en politicoloog.

Hij heeft het werk van de Franse filosoof Alexis de Tocqueville er nog eens op nageslagen. De politicoloog Jos de Beus meent dat de Franse filosoof, die leefde van 1805-1859, belangrijke inzichten heeft om ,,de verrechtsing van Nederland die zich heeft geuit in de opkomst van de LPF' te verklaren. Volgens De Tocqueville doen revoluties zich voor als het dieptepunt van ellende voorbij, het weer wat beter gaat en de regering zelfs al een paar concessies richting de burger heeft gedaan. De Beus: ,,Mensen krijgen dan zelfvertrouwen om in actie te komen. Opgekropte frustratie krijgt een uitlaatklep.'

Het pad voor Fortuyn werd geëffend door CDA-premier Lubbers en PvdA-premier Kok. Hun kabinetten, in respectievelijk de periode 1982-1994 en 1994-1998, stonden in het teken van sanering van de overheidsfinanciën en het creëren van werk. De Beus: ,,Het volk morde, maar kwam niet in opstand.'

Sinds het tweede Paarse kabinet aantrad, 1998, begon de onvrede zich te manifesteren. Er verschenen steeds meer artikelen in de media over de publieke armoede. ,,Opmerkelijk, want in vergelijking met de voorafgaande twee decennia hadden de mensen het relatief goed', zegt De Beus, ,,maar het lijkt wel alsof de frustratie over de jarenlange bezuinigingen toen pas naar buiten kon komen.' In de jaren zestig was er volgens De Beus in Nederland ,,met de studentenprotesten en provobeweging een Tocquevilliaanse opstand met een links tintje, aan het begin van het nieuwe millennium een protest met een rechts tintje en daar speelde Pim Fortuyn handig op in'.

De frustratie uit zich op een moment dat Nederland rijk is. Een graadmeter van de welvaart, het gemiddeld besteedbaar inkomen, illustreert dat. Sinds de Tweede Wereldoorlog is in Nederland vijftien jaar lang een geleide loonpolitiek gevoerd. De lonen werden door de overheid laag gehouden om de concurrentiepositie te verbeteren. Dit was gunstig voor de export en leverde een belangrijke bijdrage aan economische opbouw. In 1959 werd de loonontwikkeling vrij gelaten en sinds die tijd houdt het Centraal Bureau voor de Statistiek het gemiddeld besteedbaar inkomen bij. De lijn gaat continu omhoog (zie grafiek), met een forse dip in 1979 als gevolg van de tweede oliecrisis.

,,Wat de Nederlander zich aan het eind van die lijn materieel kan permitteren is ongekend', meent Arnold Heertje. Hij, zo signaleert de economieprofessor, heeft werk, eet en drinkt er goed van, de tweede auto staat voor deur en de tweede vakantie is normaal. ,,De particuliere behoeften konden worden bevredigd', zegt Heertje, ,,maar toen bleek dat het met de publieke dienstverlening erbarmelijk was gesteld. Men was tevreden over het private, maar ontevreden over het publieke.' Het onderwijs voldeed niet aan de wensen, er kwamen wachttijden bij medische voorzieningen, en het ophelderingspercentage bij misdaden was laag.

Het besteedbaar inkomen gecombineerd met het gedachtegoed van De Tocqueville levert ,,90 procent' van de verklaring van het LPF-succes, vinden de econoom Heertje en de politicoloog De Beus. ,,Twee belangrijke thema's van de LPF – `Nederland is vol' en de kritiek op de bestuurscultuur – zijn ook verantwoordelijk voor het politiek succes, maar die laten zich niet in economische theorieën verklaren'.

De welvarende burger wordt, als consument, steeds kritischer over het aanbod van de overheid en de frustratie neemt toe omdat het aanbod onvoldoende is, meent De Beus. ,,De verwende kiezer is geboren: het beleid is relatief succesvol maar de kiezer is ontevreden.'

Hij noemt de Franse socioloog Emile Durkheim (1859-1971). In Le suicide, de eerste moderne sociologische studie, komt Durkheim tot een pessimistische conclusie over de moderne industriële samenleving. ,,Omdat de welvaart is toegenomen zijn de begeerten opgewekt. De rijkere buit die ze geboden wordt, werkt stimulerend, maakt ze veeleisender, opstandiger tegen elke regel, en dat terwijl de traditionele regels juist aan gezag hebben ingeboet.'

In 2002 gaat deze analyse nog steeds op, vindt Heertje. ,,De inkomens blijven voortdurend stijgen, maar de tevredenheid van de bevolking neemt niet toe.' Een verklaring ligt volgens Heertje in de beleidskeuzes die er zijn gemaakt. Heertje: ,,Het beleid was relatief succesvol, maar ook erg eenzijdig. Kok keek alleen maar naar het financieringstekort en de ontwikkeling van de werkgelegenheid. Hij had totaal geen oog voor de kwaliteit van de samenleving. Hij heeft het volk niet verstaan, want de signalen waren er natuurlijk genoeg.'

De inkomenseconoom van Nederland, Jan Pen, signaleert nog een andere trend in loonontwikkeling en stemgedrag. ,,Vroeger stemden mensen met relatief hoge besteedbare inkomens (onderwijzers, ambtenaren en dominees) links. Ze waren door het lot bevoordeeld en hadden geen moeite met een correctie via de inkomens. Ze keken omlaag met de bedoeling `die inkomens moeten worden opgetrokken'. Nu kijken mensen omhoog. Verdienen mijn zwager en buurman tien procent meer dan ik, dan wil ik dat ook.' Nederland is volgens de Groningse econoom in de ban van ,,het jaloeziemodel met ruim baan voor de private sector, zeg maar rechts. De collectieve sector, zeg maar links, is een vies woord geworden.'

Dit is de achtste aflevering van een serie over de rechtse omslag. Eerdere afleveringen verschenen op 13, 15, 18, 24, 30 juli, 1 en 5 augustus en zijn te lezen op www.nrc.nl.