Vluchteling moet investeren in zichzelf

Het loopbaanperspectief van vluchtelingen in Nederland is weinig rooskleurig. Slechts een derde vindt een baan en de meesten werken onder hun niveau. Uit nieuw onderzoek blijkt dat de situatie zou verbeteren als vluchtelingen niet meteen op zoek zouden gaan naar werk, maar eerst grondig investeren in een opleiding en de Nederlandse taal.

Toestemming... toestemming... toestemming'. Keen Faduma Mahamed (33) uit Somalië bleef het vreemde woord herhalen tot ze thuis was en een woordenboek kon raadplegen. Bij de Sociale Dienst (SD) van Deventer had ze vernomen dat ze `geen toestemming' kreeg om een vierjarige mbo-opleiding sociale dienstverlening te volgen. Het woord `geen` kende ze, `toestemming' nog niet en de ambtenaar had de Engelse vertaling niet willen geven. De Dienst wilde hooguit meebetalen aan een tweejarige opleiding verzorging.

Het was 1997, twee jaar na haar vlucht. ,,In die periode had ik ervaren wat het is: een ander land, andere normen en waarden, andere mensen, een andere taal. Ik besloot andere vluchtelingen te gaan helpen.'' Aan de universiteit van Mogadishu had Mahamed drie jaar politicologie gestudeerd toen de oorlog begon, maar ze arriveerde hier zonder enig bewijs of diploma. ,,Net een droom: daarvan heb je ook geen bewijs. Je moet bij nul beginnen.'' Dat laatste viel mee: met financiële steun van het UAF, de landelijke stichting voor vluchteling-studenten, volgde Mahamed de gewenste mbo-opleiding. Ze werkte twee jaar in asielzoekerscentrum Schalkhaar en begint binnenkort aan een 7-jarig traject via hbo naar een universitaire titel internationaal recht. Nederlands spreekt ze inmiddels vloeiend.

Tweederde van de vluchtelingen vindt geen werk. Slechts 15 procent van alle vluchtelingen vindt werk op een niveau dat aansluit bij de genoten opleiding. Het goede nieuws is dat inmiddels veel inzicht bestaat in de redenen van hun falen en het succes van hen die wel slagen. In theorie zou iedere vluchteling met een verblijfs- en dus werkvergunning aan werk kunnen komen door zich te houden aan een paar regels die qua eenvoud en beknoptheid lijken op de padvinderswet. Ze zijn te distilleren uit het verhaal van Keen Mahamed - en uit een uitvoerige studie van John Warmerdam en Harry van den Tillaart die vorige maand verscheen bij de Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek (OSA). De studie Arbeidspotentieel en arbeidsmarktloopbanen van vluchtelingen en asielgerechtigden is gebaseerd op statistieken van de 200.000 vluchtelingen die tussen 1995 en 2000 in ons land werden toegelaten, interviews met vijftig van hen en ruim 500 interviews uit eerder onderzoek. Van den Tillaart: ,,Of een vluchteling werk vindt en of dat werk aansluit bij zijn werk van vóór de vlucht wordt bovenal bepaald door de in Nederland gedane investeringen in competenties: een vakopleiding, een algemene opleiding en, boven alles, taalvaardigheid. Nederlands kunnen spreken is de rode draad in alle succesverhalen. De achterliggende vraag is natuurlijk: waarom doet de één die investeringen wel en de ander niet?''

Hoessein Kabki (33) was tot 1995 chef financiën van een gemeente in Iraans Koerdistan. Nu werkt hij als econoom bij de sectie betalingsbalans van de Nederlandse Bank. Al voor hij een verblijfsvergunning kreeg, stortte hij zich op het leren van Nederlands, in het besef dat het verspilde moeite was als hij uitgewezen zou worden. ,,De taal spreken is de noodzakelijke voorwaarde'', stelt Kabki, ,,anders kun je niet doen wat je kan''. Met financiële steun van het UAF studeerde hij binnen vier jaar af in Nijmegen, liep hij college in Manchester en stage in Genève.

De vraag waarom de één wel in zichzelf investeert en de ander niet, heeft vaak als antwoord: veel ondersteuning, begeleiding, feed back, mogelijkheden om over moeilijkheden te praten. Bij Kabki was dat het geval. De feed back van zijn vriendin bij studie, sollicitatie, inburgering en Nederlands leren was heel belangrijk. ,,Ze corrigeert me nog steeds.'' Verder was er het Koerdische netwerk. De circa 2500 UAF-studenten krijgen ook veel begeleiding van de staf en na hun afstuderen kunnen ze bij de UAF-afdeling Job Support terecht om een baan te vinden. Bij 80 tot 90 procent lukt dat.

Het relatief grote succes op de arbeidsmarkt van groepen vluchtelingen die een paar decennia geleden arriveerden, zoals de Vietnamezen, kan volgens Van den Tillaart goed te maken hebben met hun opvang en begeleiding. ,,Ze werden vaak ondergebracht bij gezinnen en voelden zich echt welkom. Nu vragen veel vluchtelingen zich af: wil Nederland mij eigenlijk wel?'' Ook Véronique Schutgens, adjunct-directeur van het UAF, en Ndo Ntoane van Job Support zijn stellig over het belang van intensieve begeleiding, zeker bij sollicitaties. Job Support helpt brieven opstellen, adviseert bij de keus van mogelijke werkgevers en geeft soms zelfs kledingadviezen. Schutgens: ,,Wij vertellen ook wat raar is en wat gewoon, want dat onderscheid is voor een vluchteling vaak heel lastig.'' Ntoane: ,,We geven ze het instrumentarium om hun weg te vinden op de arbeidsmarkt.''

Hetzelfde doet de Stichting Emplooi in Amsterdam voor een veel bredere groep vluchtelingen: 6500 plaatsingen sinds 1989. Problemen zijn er genoeg, maar vluchtelingen kunnen soms ook verrassend scoren: terwijl de landelijke voorraad herenkappers snel slinkt, beweegt menig Afghaan of Sri Lankees zich nog feilloos met mes en schaar over het herenhoofd. De Stichting Emplooi hielp een gevluchte goudsmid aan een baan bij een juwelier die er nu een nieuwe, allochtone sieradenlijn bij heeft.

Bij Emplooi werken tachtig vrijwillige adviseurs, meest gepensioneerde ondernemers en managers, die vaak zijn ingekwartierd bij een CWI (voorheen: arbeidsbureau). Ze kennen de praktijk en hebben vaak nog hun netwerken. Eén van hen is Hans van Stokrom: ,,Het belang van Nederlands wordt nog steeds onderschat, ook door de vluchtelingen zelf. Met Engels alleen komen ze echt niet weg op de arbeidsmarkt, al denken ze dat soms. Ik stuur ze vaak terug: ga eerst maar beter Nederlands leren. Een essentiële tweede taal is computertaal. Dat heb je nodig bij steeds lager gekwalificeerd werk.''

Maar taal reikt verder dan woorden en grammatica. Van Stokrom moest wel eens een vluchteling met hbo-niveau terugfluiten die enthousiast een advertentie voor een hoogleraarspost had uitgeknipt. Als dat verstandig is, gaat hij ook mee naar sollicitatiegesprekken. En met Job Support deelt hij het besef dat lang niet alles afhangt van de solliciterende vluchteling: ,,De bereidheid van bedrijven om vluchtelingen aan te nemen is maar beperkt. En het is wél een cruciale factor.''

Positieve uitzondering was de ICT-sector, met de nadruk op was. De meeste van Van Stokroms cliënten komen terecht in de non-profitsector en bij de overheid. Bijvoorbeeld bij de Belastingdienst, die graag een afspiegeling van de samenleving wil zijn. Henk Nijhuis van het Emplooi-hoofdkantoor is `echt zeer enthousiast over hun aanpak'. Sinds 1997 plaatste de dienst zo'n negentig vluchtelingen als fiscalist en twaalf als ICT-er, allen op hbo- of academisch niveau. Jaarlijks krijgen ongeveer twintig vluchtelingen een fiscale opleiding van een jaar, met aanvullende lessen Nederlands en veel persoonlijke begeleiding. ,,Beide partijen hebben daar voordeel van'', aldus Nijhuis. ,,Het is echt een voorbeeld van hoe het zou moeten.''

Lastiger is het voor Karl Hovanisyan (36). In Armenië was hij luitenant in het leger, studeerde hij Armeens en pedagogiek en had hij een handelsfirma. Dat laatste wilde hij in Nederland ook. Een opleiding was nodig en Emplooi zette hem op het spoor van een cursus `exportmedewerker binnendienst'. Hovanisyan kreeg al snel visioenen van saaie magazijnen en veel formulieren, en ging over tot een eigen `marktonderzoek`. Uitslag: Veel van de mensen die dat gedaan hadden - vluchtelingen, maar ook Nederlanders - zaten thuis. Beter leek hem daarom de opleiding vrachtwagenchauffeur-A (met aanhangwagen), waarmee hij nu ver is gevorderd. Maar voor het zover was! ,,De sociale dienst heeft anderhalf jaar vergaderd of ze die opleiding voor me zouden betalen. Ze wilden dat ik een baas zocht die me een bedrijfsopleiding zou geven. Maar die zijn er haast niet.''

Menigeen die vluchtelingen aan werk probeert te helpen, klaagt erover: de sociale dienst is vaak gericht op snelle instroming op de arbeidsmarkt. Als ze al een opleiding betalen, is het een korte, net genoeg om aan een baan te komen. Dat staat dus haaks op de bevinding van Warmerdam en Van den Tillaart dat vluchtelingen vooral moeten investeren in competenties. Verrassend genoeg zitten veel vluchtelingen op de lijn van de sociale dienst. Van den Tillaart: ,,Velen vinden het belangrijk om zelf hun geld te verdienen - desnoods ver onder hun niveau. Die wens zit bij veel van hen heel diep. Bedenk wel: dat zijn ook onze normen en waarden, die onderschrijven we, maar anderzijds blijven vluchtelingen zo hangen in niet-passende beroepen. Dat is een doodlopende weg, die haaks staat op integratie.''

Van Stokrom gaat nog een stap verder. Sprekend over een journalist die zijn hand niet wilde ophouden en schoonmaker werd op een slachterij: ,,Die mensen maken het zich erg moeilijk. Voor hun ontwikkeling hebben ze geen tijd en geen geld. Zolang je geld krijgt van de sociale dienst, betaalt die vaak je bijscholing. Wie op eigen benen wil staan, krijgt die hulp niet.'' Schutgens van het UAF licht toe: ,,We willen vluchtelingen niet voortrekken, zegt de sociale dienst dan. En dus kunnen de vluchtelingen hun talenten niet ontplooien, terwijl een Nederlander alle opleidingskansen al heeft gehad.'' Van den Tillaart: ,,Waarom zou je als overheid niet zeggen: laat ze snel starten en verdienen, maar dan met wekelijks één of twee dagen vaktechnische- en taalscholing?''