Matt Damon bedankt Béla Tarr

De artistieke reputatie van het filmfestival van Locarno werd na het vertrek van directeur Marco Müller vaak in twijfel getrokken. Misschien is die conclusie te snel getrokken.

De Amerikaanse filmmaker Gus Van Sant is het perfecte symbool van het Festival internazionale del film Locarno. Net als het festival zweeft hij tussen puur onafhankelijke, low budget producties als Mala Noche (1986), Drugstore Cowboy (1989), zijn doorbraak naar een groter publiek My Own Private Idaho (1991, met River Phoenix) en steeds grotere, duurdere, met sterren bevolkte Hollywoodfilms. Deed zijn shot voor shot remake van Alfred Hitchcocks klassieke Psycho in 1998 al vele wenkbrauwen fronsen, door de feelgood flauwekul Finding Forrester, met Sean Connery, had hij artistiek gezien afgedaan.

Iets soortgelijks dachten vele filmcritici toen Marco Müller na negen jaar afscheid nam als festivaldirecteur. De flamboyante Müller was groot pleitbezorger van de kleine, kwetsbare, artistieke uitdagende film, en dat zou wel eens afgelopen kunnen zijn. Het eerste jaar onder de nieuwe directeur, Irene Bignardi, bevestigde dit vermoeden: er was een knieval gemaakt ten gunste van de commerciële cinema. Net als Van Sant te vroeg afgeschreven werd, zo gebeurde dat ook met Locarno. Natuurlijk is er een aantal commerciële films te zien, vooral 's avonds in de openlucht voor een groot publiek op de Piazza Grande, en is de internationale competitie tot nu toe niet heel sterk. Maar dat is slechts een klein deel van het gehele festival. Locarno lijkt voorzichtig terug te keren naar zijn vroegere status van onafhankelijk en artistiek bevlogen, net als Gus Van Sant. Van Sants nieuwe film Gerry, die in première ging tijdens het Sundance festival en hier in de competitie zit, zoekt de grenzen op van de vertelkunst. En toch heeft het 1 grote en 1 kleine ster: Matt Damon en Casey Affleck. De twee vrienden Gerry en Gerry rijden door een landschap, verlaten de auto om een stuk te wandelen door de overweldigende natuur en raken vervolgens de weg kwijt. De dialogen zijn zeer summier, de camera-instellingen des te langer. Op de aftiteling wordt dan ook Béla Tarr bedankt, meester van de tergend lange shots waarin weinig gebeurt, en toevallig ook een van de juryleden die Van Sant moet beoordelen. Gerry is vooral een film van pure, onherbergzame landschappen, ongenaakbare bergen en kale woestijnen. Prachtig in beeld gebracht door cameraman Harris Savides en opgenomen in Argentinië, Nevada en natuurlijk Death Valley.

In al zijn minimaliteit daagt Gerry uit tot vele interpretaties: metafysisch (het geijkte pad verlaten), politiek (het willen temmen van de wildernis door Amerikaanse pioniers) of moreel. Het is weer een auteursfilm zoals Locarno ze graag heeft. Het einde van Gerry is met enige kennis van het oeuvre van Van Sant homoseksueel te duiden à la Oscar Wilde: `Each man kills the things he loves.' En Van Sants voorliefde voor landschappen bleek al uit My Own Private Idaho en Even Cowgirls Get the Blues (1994, met Uma Thurman).

Maar het ereluipaard geven aan cineast Sydney Pollack `vanwege zijn engagement en auteurschap' gaat misschien weer wat ver. De critici van Cahiers du Cinéma maakten in de jaren vijftig onderscheid tussen `auteurs', regisseurs met een consistente thematiek en herkenbare visuele handtekening, en `metteurs-en-scène', bekwame vakmensen. Iemand als Pollack dus. Zelf begreep hij het ook niet, en vond het typisch Europees.