Kritiek op Bush is pro-Amerikaans

Al tijdens de campagne voor de presidentsverkiezingen was het te voorzien. Als George W. Bush wint, neemt het anti-Amerikanisme in Europa toe. Het viel op twee gronden te voorspellen: een culturele en een politieke. Er is nu eenmaal een enorm cultuurverschil tussen een Amerikaanse conservatieve, gelovige Republikein uit het zuiden en de gemiddelde Europeaan die in een Europese verzorgingsstaat is opgegroeid. En dan de politieke oorzaak: de unilateralistische buitenlandse politiek die kandidaat Bush al in zijn campagne expliciet heeft verdedigd. Twee fundamentele verschillen, die het Atlantisch bondgenootschap zouden kunnen bedreigen, misschien ernstiger dan sinds de oorlog in Vietnam het geval was geweest. Maar het waren relatief kalme jaren. Wat er aan internationale crisis smeulde, zag er behandelbaar uit. Het westen in zijn geheel leek zich het dubbele risico te kunnen veroorloven.

Zo is het gebleven tot de elfde september. Daarna deden de Europese partners hun bondgenootschappelijke plicht. De Talibaan werden door de Amerikanen verslagen; de Europeanen hielpen mee voorzover dat in het Amerikaanse krijgsplan paste. Al met al is de Afghaanse operatie in redelijke eendracht verlopen. Nog altijd zijn Europese strijdkrachten in Afghanistan.

Al meteen nadat Bush als president was aangetreden, liet hij weten dat de verwijdering van Saddam Hussein hoog op de lijst van prioriteiten stond. Maar de aanval van elf september verdrong al het andere. Vervolgens laaide de strijd tussen Israël en Palestina op. Daar ligt de oorsprong van het nieuwe meningsverschil tussen Amerika en Europa. Premier Sharon verklaarde Arafat te beschouwen als de oorzaak van het terrorisme en het conflict in het algemeen. Zonder Amerikaans weerwerk trok hij daaruit de conclusie dat hij, regionaal, gerechtigd was Arafat te bestrijden zoals de Amerikanen het met Osama bin Laden op wereldschaal deden. Een vergissing. Van Bush kreeg hij een paar keer de order zijn veldtocht in de Palestijnse gebieden te staken. Hij besefte wat die bevelen waard waren: niets.

Toen kwam het Amerikaanse vredesplan. ,,Voor een wereld die had uitgezien naar het almachtige Amerika, om Israeliërs en Palestijnen uit hun eigengemaakte hel te redden, was dit de natste van alle natte vuurpijlen'', schreef The Economist. Ik citeer het weekblad omdat dit het laatste is dat van anti-Amerikanisme kan worden verdacht. Ten overvloede droeg het omslag een plaatje van een houten krat dat wel getekend maar nooit gemaakt kan worden: Bush's Framework in the Middle East. In de praktijk werd het conflict, waarvan in Washington kennelijk wordt aangenomen dat het regionaal is, op zijn beloop gelaten. Men concentreerde zich verder op Saddam.

Over de voorgenomen aanval bereiken Europa verwarrende berichten. Een leger van 250.000 man wil minister van Defensie Rumsfeld. Dat hebben we niet, zegt de generale staf. Een aanval op Bagdad met medewerking van de Iraakse oppositie. Die is te zwak. De Arabische bondgenoten moeten, net als in de Golfoorlog, weer worden gemobiliseerd. Ze bedanken ervoor. De Democraten in het Congres eisen een uitvoerig debat over de voorgenomen aanval. Het is er nog niet van gekomen. Na de aanval van de elfde was de president de onaantastbare, boven alle kritiek verheven exponent van al het Amerikaanse patriottisme. Door allerlei schandalen en halve schandalen is daar de klad in gekomen. Er is weer gewone zakelijke kritiek, een normale oppositie.

Dat Saddam met zijn misdadige oorlog tegen de Koerden, zijn dictatuur, en waarschijnlijk zijn wapens voor massavernietiging, een ongewenste machthebber is, wordt in het westen en, gedeeltelijk om andere redenen, door de Arabische wereld niet betwijfeld. Het gaat niet zozeer over de wenselijkheid van zijn verdwijning, als wel over de manier waarop een en ander moet worden aangepakt.

Daaruit volgt de vraag of de oorlog tussen Israël en Palestina als een regionaal conflict van de afrekening met Saddam kan worden gescheiden. Nee, zeggen de Arabische landen die in de Golfoorlog bondgenoten in de coalitie onder Amerikaanse leiding zijn geweest. Nee, zeggen de Europese bondgenoten, die van mening zijn dat alleen met Arabische steun het conflict met Saddam tot een goed einde kan worden gebracht. Nee, zegt het Europese publiek, dat in Saddam geen acute bedreiging voor de wereldvrede ziet. Terecht of ten onrechte, het blijft een poltieke factor.

Nee, zegt de Amerikaanse oppositie, uit een veelheid van overwegingen, zoals daar zijn: de vrees voor een groot aantal gesneuvelden, een tegenaanval van Irak met de gevreesde wapens, het risico van een energiecrisis en een daaropvolgende recessie, een oorlog die zal leiden tot een langdurige bezetting van Irak, het door dit bewind verafschuwde nation building en een situatie die op het moeras van Vietnam gaat lijken.

Nee, zegt de meerderheid van de Verenigde Naties en de Veiligheidsraad die nodig is om de operatie internationaal te legaliseren.

Nee, zeggen alle betrokkenen, die vrezen dat onder deze omstandigheden de aanval op Irak het Midden-Oosten in zijn geheel zal veranderen in een oorlogsgebied, lijkend op dat van Israël en Palestina.

In al deze kritiek keert onveranderlijk één argument terug. Om met succes een oorlog tegen Irak te kunnen voeren, is het noodzakelijk eerst een geloofwaardig uitzicht op de oplossing van het Israëlisch-Palestijnse conflict te bieden. Dat kunnen alleen de Verenigde Staten. De president en zijn vertrouwden willen dat kennelijk niet. Dat hebben ze door hun daden, liever gezegd hun feitelijke afzijdigheid, bewezen. Dan zullen potentiële bondgenoten ook niet meewerken aan een onderneming die ze uitzichtloos achten. Verwar dit niet met anti-Amerikanisme. Het is een diepgaand verschil van mening. De oppositie in Amerika, de Europese bondgenoten en de Arabische wereld vrezen dat het doorzetten van de aanval, onder de politieke voorwaarden die alle in het nadeel van Amerika werken, rampzalig kan uitpakken.

Europa is niet anti-Amerikaans, maar houdt zijn hart vast voor deze president.