Deftig schilderen

Everybody loves a lord, zeggen ze in het Engels. In Nederland geldt dat ook. Op de tentoonstelling van de schilder Sigisbert Chrétien (wie heet er nou Sigisbert Chrétien?) Bosch Reitz in het Singer Museum te Laren kan niemand de deftige afkomst van deze man ontgaan. Bosch Reitz (1860-1938) was formeel dan wel niet van adel, maar van moeders kant stroomde het blauwe bloed rijkelijk door zijn aderen. Zijn zuster trouwde met een jonkheer Six, en zelf was hij een enthousiast deelnemer aan het mondaine leven. Het is dus geen wonder dat critici al gauw iets aristocratisch in zijn schildertrant zagen. De schilder van het aristocratische landschap - het cliché is gewoon te mooi om het niet te gebruiken. Zeker als iemand ook nog verstilde paleistuinen gaat schilderen, zoals hij een tijdlang deed.

Wat het betekent blijft duister. Zou een burgermannetje (een soort die Bosch Reitz blijkens zijn dagboeken verfoeide) met hetzelfde talent die tuinen anders hebben geschilderd? Geeft de adeldom een speciale penseelvoering, een bijzondere blik? Als het sleutelwoord bijvoorbeeld homoseksualiteit was, of jodendom, zou zo'n vraag iets verdachts hebben. Maar in het geval van de schilderende (half)edelman wordt die argeloos beaamd.

Onzin natuurlijk. Bosch Reitz' aristocratische achtergrond springt de bezoekers van de tentoonstelling in het oog, gewoon omdat het erbij staat. Hij wordt geïllustreerd met foto's en een enkel decorstuk, zoals het absurde salonstoeltje met damasten bekleding, afkomstig uit Bosch Reitz' landhuis, dat ergens tegen een muur hangt om het damastpatroon op de achtergrond van een paar bloemschilderijen toe te lichten. Oneerbiedige bezoekers zullen opmerken dat het genoemde burgermannetje, met een even beperkt oeuvre, in ieder geval niet zoals Bosch Reitz 64 jaar na zijn dood zou zijn geëerd met zo'n groots opgezette expositie.

En zijn talent, was dat ook beperkt? Het antwoord is simpel: jazeker, maar dat geldt voor de meeste kunstenaars. Bosch Reitz miste flair en trefzekerheid. Hij was geen schilder die iets wonderbaarlijks kon maken van een alledaags gegeven. Passie lijkt hem vreemd te zijn geweest.

Maar hij was een super-estheet, en soms slaagde hij erin iets wat hij prachtig vond ook prachtig te schilderen. De wirwar van bootjes in de haven van St. Ives, op een schilderij dat het Stedelijk Museum in Amsterdam sinds jaar en dag in de kelder houdt, is onvergetelijk. (Heel even denk je aan de heldere stijl van sommige twintigste-eeuwse striptekenaars.) Net zo onvergetelijk is de Kerkuitgang te Laren, met die pijnlijk parallelle boomstammen. En op het drieluik St. Jansprocessie hebben alle mannen dezelfde neus, maar het blijft een heel bijzondere hommage aan de Oude Meesters. Wie zo kan kijken en zo'n overrompelend schilderij kan maken, heeft toch een vonk uit de hemel ontvangen.

Als de hemel Bosch Reitz niet daarnaast een comfortabele maatschappelijke positie had gegund, was hij er waarschijnlijk niet toe gekomen om iets met die artistieke vonk te doen. Of had hij als arme artiest juist meer bereikt? Niemand die het weet. Het aardigste is het om te denken dat hij onbekend bleef omdat hij het niet nodig had geld te verdienen met zijn werk. Dat zeggen zijn bewonderaars en de aristocratische nazaten die deze tentoonstelling, zoals dat heet, mogelijk maakten.

Zeker is dat waar andere miskende schilders zielig zijn, Bosch Reitz dat helemaal niet is. Hij reisde de wereld af, verzamelde, leerde gretig, en werd een gerespecteerd kenner van oosters porselein. Een kleurrijk leven in dienst van schoonheid en kunst: er zijn aristocraten die hun fortuin minder zinvol hebben aangewend.