Afrikaans strijdtoneel is mozaïek van belangen

Het lijkt alsof er vrede uitbreekt in Afrika. Lijkt, want de onderliggende oorzaken van veel van de conflicten worden nog niet aangepakt.

Het lijkt alsof er alleen nog maar vrede wordt gesloten in het door oorlogen geteisterde Afrika. In Angola brak na de dood van guerrillaleider Jonas Savimbi in februari plotseling de vrede uit. En in de twee grootste landen van zwart Afrika, Congo en Soedan, werden afgelopen maanden vredesverdragen gesloten die worden bestempeld als `doorbraken'.

Het vredesproces in Angola na ruim een kwart eeuw burgeroorlog verloopt inderdaad bemoedigend. De soldaten van de verzetsbeweging Unita zijn inmiddels goeddeels gedemobiliseerd en de nieuwe Unita-voormannen houden zich aan de gesloten akkoorden. Echter: democratisering, bestrijding van de corruptie en de chronische armoede staan nog niet op de agenda.

Ondanks eerdere vredesakkoorden is de oplossing van de strijd in Congo pas net begonnen. Het koppige conflict begon in 1994 met de genocide op Tutsi's en gematigde Hutu's in Rwanda die de gehele Centraal- en Oost-Afrikaanse regio in vuur en vlam zette. De duizenden moordenaars weken uit naar Oost-Congo, waar de de toenmalige president Mobutu zich over hen ontfermde. Onder de paraplu van Westerse hulporganisaties begonnen de Hutu-strijders zich te herformeren en te bewapenen. Ze voerden aanvallen in Rwanda uit en vorig jaar pleegden ze zelfs een mislukte invasie.

Het twee weken geleden gesloten vredesverdrag tussen de Rwandese president Paul Kagame en zijn rivaal Joseph Kabila van Congo is met scepsis ontvangen in de regio. Beide presidenten spraken af dat de Hutu-milities en soldaten van het voormalige Rwandese regeringsleger binnen drie maanden worden ontwapend en naar Rwanda gerepatrieerd. Deze Hutu-strijders vechten met steun van Kabila's regeringsleger in de jungle van Oost-Congo en willen vandaar de regering van Kagame omver werpen. Als tegenprestatie voor hun ontwapening belooft Rwanda zijn ongeveer 20.000 troepen uit Congo terug te trekken.

Allianties wijzigen zich snel in Afrikaanse oorlogen, die chaotisch lijken en waar zelden frontlinies bestaan. Soms staakt de strijd maandenlang om daarna weer in alle hevigheid op te laaien. Wat een oplossing in Congo dan ook zo ingewikkeld maakt, is dat er veel meer dan twee partijen strijden. Aan de zijde van de Rwandese Hutu's vechten hun volksgenoten uit Burundi. Occulte Congolese strijders van de Mai-Mai-milities zijn afwisselend hun bondgenoten en tegenstanders. Bovendien hebben tribale groepen zoals die van de Congolese Tutsi's zich in de strijd tegen de Rwandezen gemengd. En dan zijn er nog drie guerrillabewegingen tegen de Congolese regering in Kinshasa die worden gesteund door Oeganda, Rwanda en Burundi. Slechts twee van deze drie verzetsgroepen sloten in april een akkoord met de Congolese regering. Het strijdtoneel is een mozaïek van tribale, regionale en economische belangen waarop geen enkele partij een doorslaggevende invloed heeft.

Het zal bovendien een vrijwel onmogelijke taak zijn de Rwandese Hutu-strijders te scheiden van de andere gevechtstroepen. De Hutu-strijdmacht met geallieerde groepen zou inmiddels uit 50.000 man bestaan. Het Congolese regeringsleger is zwak en heeft weinig invloed. De 3.500 manschappen van de Verenigde Naties die in het gebied zijn gelegerd, hebben met hun beperkte mandaat niet de bevoegdheid om hen de wapens af te nemen. Het Rwandese regeringsleger, één van de beste van het continent, is er nooit in geslaagd de Hutu-strijders op te sporen en te ontwapenen en daarom lijkt het onrealistisch te veronderstellen dat het Congolese regeringsleger daar wel in zou slagen.

Het akkoord tussen Kagame en Kabila zal vermoedelijk een dode letter blijken. Voor de oplossing van het conflict lijkt een grotere inter-Afrikaanse inspanning nodig, met hulp van het Westen. Het is de vraag of die bereidheid bestaat op het continent, aangezien vele buurlanden rijkelijk profiteren door Congo's grondstoffen te roven.

Ook over het raamakkoord in Soedan, dat vorige maand onder grote buitenlandse diplomatieke druk tot stand kwam en een einde moet maken aan de oudste oorlog van Afrika, is grote twijfel op zijn plaats. De strijd in Soedan nam al een aanvang in 1955. Het is een extreem complex conflict, waarbij veel meer op het spel staat dan doet vermoeden wanneer het probleem wordt gesimplificeerd tot een oorlog `tussen het islamitische noorden en christelijke zuiden'. De Soedanese bevolking is uiterst divers met een brede schakering aan huidskleuren, religies en culturele tradities. Slechts een kleine meerderheid in het noorden bestaat uit zuivere Arabieren en alleen een kleine groep hangt de orthodoxe vorm van islam aan die wordt beleid door de huidige machthebbers. Ook in het noorden leven miljoenen zwart-Afrikaanse Soedanezen die, gelijk de zuiderlingen, zelfbeschikking nastreven en zich verzetten tegen de islamitische fundamentalisten in de regering. Over hun lot wordt niet gesproken in het akkoord en zij lijken gedoemd tweederangsburgers te blijven in het noorden.

De stuwende kracht achter het raamakkoord waren de speciale Britse afgezant Alan Goulty, een arabist en voormalig ambassadeur in Khartoum, en de Amerikaanse minister belast met Afrikaanse zaken, Walter Kansteiner. Sinds 11 september staat hun diplomatie in het teken van de strijd tegen internationaal terrorisme. Ze menen de Soedanese regering te kunnen hervormen opdat deze geen terroristen meer steunt: terroristenleider Osama bin Laden verbleef begin jaren negentig in Khartoum. De talrijke onderdrukte Soedanese bevolkingsgroepen in het noorden dreigen het slachtoffer te worden van deze Westerse pre-occupatie met de strijd tegen het terrorisme. In het raamakkoord wordt met geen woord gerept over democratisering in het noorden en over respect voor de mensenrechten.

De strijd van de verzetsbeweging in Soedan is nog de enige in Afrika waar idealen achter schuil gaan, een oorlog die tot bevrijding kan leiden. Misschien moet deze oorlog daarom zijn natuurlijke beloop hebben, totdat de noordelijke, gearabiseerde machthebbers niet alleen hun zuidelijke landgenoten maar ook andere minderheden als volwaardige burgers gaan behandelen. Net als in 1983, toen de oorlog na tien jaar relatieve vrede opnieuw begon, zal de strijd weer oplaaien indien de fundamentele oorzaken niet worden aangepakt.