Oorlogsverklaring

De werkgeversorganisatie VNO-NCW telt op het hoofdkantoor ongeveer honderdnegentig personeelsleden. Zou VNO-NCW-voorzitter Schraven met alle medewerkers afzonderlijk willen onderhandelen over de hoogte van het salaris en secundaire arbeidsvoorwaarden? Niet waarschijnlijk. Het zou veel tijd kosten en tot grote spanning onder het personeel leiden. Daarom is er sinds jaar en dag sprake van gedelegeerde onderhandelingen over de arbeidsvoorwaarden: de werkgevers laten zich vertegenwoordigen door hun brancheorganisaties en de werknemers door hun vakbonden. Deze vertegenwoordigers gaan niet uitsluitend over de inhoud van het loonzakje. Alle mogelijke werk-gerelateerde onderwerpen komen in een scala van sociaal-economische overleggremia aan de orde. Dat heeft onder meer tot sociale rust geleid. Nederland kent weinig stakingsdagen.

Aan dit systeem van collectieve arbeidsovereenkomsten (CAO's) zitten ook nadelen. Het is stroperig, onderhandelingen met de bijbehorende rituelen duren soms lang. Het is ook rigide. De zogenoemde algemeen verbindend verklaring (AVV) betekent dat sterke en zwakke bedrijven in een hele bedrijfstak dezelfde CAO moeten uitvoeren. De vakbonden zijn niet representatief. Zo is het vakbondslidmaatschap gestaag teruggelopen en bedraagt het landelijk ongeveer een kwart van het aantal werknemers. In traditionele bedrijfstakken zijn bonden sterker vertgenwoordigd dan in nieuwe branches.

Bij VNO-NCW is een interne commissie bezig te onderzoeken hoe representatief de bonden nog zijn en voor voorzitter Schraven is dit aanleiding geweest om zich openlijk af te vragen of het nog wel zin heeft met de bonden over CAO's te onderhandelen. Wellicht, stelde hij voor, kan dat beter per bedrijf gebeuren met de ondernemingsraad. Hij zal hebben ingecalculeerd dat deze opmerking tot woedende reacties – `zomerkolder' en `oorlogsverklaring' – van de vakbonden zou leiden. Vakbonden praten altijd in gespierde taal.

De werkgeversvoorman lijkt het politieke einde van Paars te willen benutten om ook een einde te maken aan het soms overschatte `poldermodel'. Maar daarbij doet hij de rol van de sociale partners tekort. Het `akkoord van Wassenaar' dat toenmalig vakbondsleider Wim Kok in 1982 met Schravens verre voorganger Chris van Veen sloot, wordt niet voor niets nog altijd beschouwd als de basis van loonmatiging waarop het economische herstel kon plaatsvinden. Nog vorig jaar vielen de vertegenwoordigers van de werkgevers en werknemers elkaar eendrachtig in de armen over een WAO-akkoord in de Sociaal-Economische Raad, het polderinstituut bij uitstek. Toen liepen de belangen wonderwel parallel.

De organisaties van werkgevers en werknemers zijn antagonisten met een gemeenschappelijk belang. Ze dragen met elkaar verantwoordelijkheid voor de arbeidsomstandigheden, inkomens en werkgelegenheid. Op gezette tijden heeft het zin elkaar de maat te nemen, maar uitsluiting is buiten de orde.