Tv houdt van monstres sacrés

Gevaarlijke gebouwen. Daar gaat een mens zijn heil zoeken als het 8 uur-journaal het actuele nieuws (aanslagen in Jeruzalem, pedofielen gesnapt op het internet, windhoos op campings) eventjes snel herhaalt en dan de rest van de tijd wijdt aan de meisjes-Tour de France. Fietsen met lipstick. Ik ben er voor, maar niet in de plaats van echt nieuws.

`Gevaarlijke gebouwen', de titel van deze `documentaire' op RTL5 moet letterlijke worden genomen, want hij gaat over constructiefouten in torenflats. Niet echt, natuurlijk. Het programma is een aanleiding voor het herhalen van de spectaculaire beelden. Ramptoerisme, en je kunt er nog bij blijven zitten ook.

Hoe vaak wil ik een ineenstortend gebouw zien dat ik al ken? Na twintig minuten is het genoeg. Gauw een stukje meekijken van de film die ik op de videoband opneem voor later: de documentaire van David en Laurie Shapiro over Tobias Schneebaum. Hij was een participerend antropoloog die intenser opging in door hem bestudeerde `primitieve' gemeenschappen dan in de wetenschap verantwoord wordt geacht: hij at mee met de kannibalen in Peru en genoot van de mannenliefde bij de Asmat. Nu verdient hij zijn brood als attractie op een cruiseschip, als monstre sacré dat lezingen geeft, impertinente kwinkslagen maakt en door wie de dames zich graag de hand laten kussen.

Naar Baantjer. Het lijk ligt al in zijn kist. Ik ken dat lijk. Jammer. Ik mag 'm zo graag zien puzzelen, De Cock met cé o cé ka. Ik mag 'm zo graag in het café op de Amsterdamse wallen een ingeving zien krijgen en 'm tot slot horen zeggen: ,,Moord blijft moord''. Maar toch: twee keer dezelfde aflevering, dat gaat niet, daarvoor is de serie niet gewiekst genoeg.

Weer even terug naar Tobias Schneebaum. Ik zie een oude witte man in een prauw, arm in arm met een oude zwarte man. Ze hebben van elkaar gehouden, dat zie je. Samen vertellen ze over vroeger. Vroeger is voorbij. Vroeger is al heel snel niet meer te begrijpen of uit te leggen, ook niet als je antropoloog bent. Ik scheur me los.

Helen West komt tegemoet aan mijn hunkering naar detective-tv. Meer sophisticated dan Baantjer, maar net zo verankerd in vaste basiselementen, ja, zo moet het. Een extraatje is de gastrol van Rita Tushingham, antiheldin van de Britse cinema in de jaren zestig, hier een lief besje. Ze gaat eraan, zoiets voel je. En inderdaad. Met d'r eigen breipennen. Na een uur is het verhaal nog weinig meer dan een chaos vol dreiging, maar de geoefende politieseriekijker ziet samenhang, ook al heeft Helens collega nog niets in de gaten. Voorspelbaar, zullen anderen brommen, maar zo willen wij tv-thriller-adepten het hebben.

Ik houd Helen zappend in de gaten en schakel over naar Waiting for Godot, onderdeel van Beckett in film, de televisieadaptaties van de toneelstukken van Samuel Beckett. Is dit stuk geschikt voor de televisie? Leek me niet. Het is pure taalkunst. Het stuk geeft zich niet binnen vijf minuten, het sleept je gaandeweg mee en daar is de theaterzaal geschikter voor dan de huiskamer. Ik heb buiten de regisseur gerekend: Michael Lindsay-Hogg. Hij maakte Brideshead Revisited televisie-fähig en Godot kan hij ook aan. Estragon (Gogo), Vladimir (Didi) en wat steeds wederkerende passanten laat hij rondzweven als vissen in een aquarium, gedoemd tot eeuwig wachten. Pratende vissen. Ze redeneren zichzelf en elkaar suf, onttrekken zich zo aan het verlies van het grootste goed dat de mens gegeven is: zijn besef van het verloop van de tijd. Lindsay-Hogg onderwerpt de personages aan de harde wetten en onbuigzame conventies van de slapstick. Die voegen zich willig naar Becketts onwerelds prachtige zinnen: ,,I don't seem to be able to depart.'' ,,Such is life''.

Chef-kunst van NRC Handelsblad Joyce Roodnat kijkt tot en met vrijdag televisie zoals zij altijd doet.