Tegenstanders van verjaring hebben gelijk aan hun zijde

In de discussie over verjaring moet het gaan om de vraag waartoe het strafrecht dient en in welke richting het moet worden hervormd, meent Hendrik Kaptein.

De discussie over ne bis in idem en verjaring in het strafrecht lijkt te blijven steken in even aannemelijke als onverenigbare argumenten vóór en tegen. NRC Handelsblad-redacteur F. Kuitenbrouwer wil het bij één berechting laten (`ne bis in idem is een hecht verankerd grondrecht'), terwijl het D66-Kamerlid Dittrich vindt dat de strafrechter de waarheid moet achterhalen, ook als dat een eerdere strafrechter niet is gelukt (NRC Handelsblad, 27 en 28 juli jl.). Hij wil, samen met het CDA, verjaring van moord en doodslag afschaffen, onder meer omdat DNA-technieken sterk zijn verbeterd. Niet iedereen is dat met hen eens. De discussie zal een steekspel blijven zolang de hoofdzaak van het debat niet aan de orde komt: waartoe dient strafrecht eigenlijk en in welke richting moet het worden hervormd?

Ne bis in idem en verjaring zijn kwesties van strafprocesrecht ofwel strafvordering. Die strafvordering bepaalt de regels van vervolging, berechting en bestraffing. Bescherming van rechten en belangen van (mogelijke) verdachten (en daarmee van alle burgers) en dus ook beperking van de almacht van de staat zijn in die strafvordering van groot belang. Maar dat kan niet alles zijn. Strafvordering is er in de eerste plaats om materieel strafrecht te verwerkelijken, om ervoor te zorgen dat onschuldigen vrijuit gaan en dat schuldigen worden gestraft. De zin van ne bis in idem en verjaring wordt dus bepaald door wat moet worden verwerkelijkt in materieel strafrecht. Daarmee rijst de kernvraag: waar is straf eigenlijk goed voor? Daarover blijken de (impliciete) meningen nogal verdeeld te zijn.

Generaties strafjuristen hebben geleerd dat strafrecht, anders dan civiel recht, niet te maken heeft met verhoudingen tussen burgers onderling, maar uitsluitend met ongehoorzame burgers en de staat. Betogen van voorstanders van ne bis in idem en verjaring passen naadloos in dat `tweepartijenstelsel'. De staat moet het algemeen belang behartigen door ervoor te zorgen dat er voldoende gestraft (afgeschrikt en/of vergolden) wordt. Anderzijds is het ook een publiek belang dat burgers door de strafrechtspleging zo veel mogelijk met rust worden gelaten.

Dan gaan rechten en belangen van (mogelijke) verdachten al gauw voor, en moeten ne bis in idem en verjaring gehandhaafd blijven. Liever een (misschien ook nog onschuldige) burger gevrijwaard van straf dan een enkele straf meer die het algemeen belang niet dient, zeker niet als het al zo lang geleden is. (Een vooraanstaand strafjurist zei: ,,Als ik naar een voetbalwedstrijd ga, weet ik dat er één of twee moordenaars op de tribune zitten. Dat is nu eenmaal inherent aan strafrechtspleging.'')

Bij tegenstanders van ne bis in idem en verjaring is iets heel anders te bespeuren. Zij willen het strafrecht hervormen in `herstelrechtelijke' richting. Daarin is het slachtoffer de derde partij, de `tegenpartij' van de verdachte, en is strafrechtspleging de publieke solidariteit van de staat met slachtoffers van misdrijven. Dan is het niet langer de almachtige staat die in het strafrecht met burgers zo voorzichtig mogelijk dient om te gaan, maar de staat die het opneemt voor slachtoffers en nabestaanden. In strafrecht als herstelrecht gaat het niet om afweging van rechten en belangen van (mogelijke) verdachten tegen een algemeen belang, maar om rechten van individuele verdachten op een eerlijk proces en een gepaste straf, tegenover rechten van individuele slachtoffers op genoegdoening. In afwegingen van dergelijke rechten horen (mogelijke) verdachten en daders het niet altijd te winnen.

In die opvatting zijn ne bis in idem en verjaring ongerijmd. Slachtoffers en nabestaanden kunnen door misplaatste vrijwaring van straf nog ernstiger worden gekwetst dan zij al waren. Als heropening van zaken dat goed kan maken, zijn tegen hernieuwde berechting geen principiële bezwaren. Voor verjaring geldt hetzelfde: behoefte aan genoegdoening verjaart niet zonder meer. Verdachten kunnen daartegen niet opkomen met het argument dat zij na een eerder proces en/of na zoveel jaren recht hebben op vrijwaring van vervolging.

De strafrechtspleging wordt steeds sterker bepaald door invloeden van die eigenlijk onverenigbare opvattingen. Bijvoorbeeld: volgens het opportuniteitsbeginsel (art. 167 lid 2 Sv.) kan strafvervolging die geen algemeen belang dient achterwege blijven. Het is aan de staat (het openbaar ministerie) om te bepalen of de kosten van vervolging, berechting en bestraffing opwegen tegen de baten. Anderzijds is daar bijvoorbeeld art.12 Sv.: op klacht van slachtoffers kan de rechter het OM opleggen om te vervolgen. En volgens de Wet-Terwee kunnen slachtoffers in niet al te ingewikkelde zaken voor de strafrechter schadevergoeding door de dader eisen. Ook HALT-projecten voor jongeren (die schade eigenhandig moeten herstellen) en leer- en werkstraffen (taakstraffen) laten iets van strafrecht als herstelrecht zien.

Eigenlijk past herstelrecht voor slachtoffers niet in een systeem dat principieel berust op het `tweepartijenstelsel' van de staat tegen (mogelijke) misdadigers. Doorwerking van het conflict tussen dat `tweepartijenstelsel' en herstelrechtvaardigheid maakt van het strafrecht steeds meer een sleetse lappendeken. Dat wordt niet beter zolang de discussie blijft steken in straf als leedtoevoeging.

Tegenstanders van ne bis in idem en verjaring zitten op het goede spoor: genoegdoening voor slachtoffers is de zin van strafrecht, (twijfelachtige) bijdragen aan het algemeen belang zijn bijproducten. Strafrecht is er niet in de eerste plaats om misdaad te bestrijden (dat werkt toch niet goed en kan beter op andere manieren gebeuren), strafrecht is er om de gevolgen van misdaad af te doen. Genoegdoening houdt in dat daders iets goedmaken en dat is meer dan alleen leed ondergaan. Net zo goed als slachtoffers alleen genoegdoening kunnen ervaren als die enige materiële vorm krijgt, al was het maar door betaling van geld.

Die genoegdoening vereist veel verdergaande hervorming van strafrecht dan alleen afschaffing van ne bis in idem en verjaring. Bijvoorbeeld: waarom zou langdurige maatschappelijke dienstverlening ook voor ernstige misdrijven geen passende sanctie kunnen zijn, in plaats van de marginaliserende en criminaliserende ledigheid van het huidig gevangenisregime? Opbrengsten daarvan kunnen ten goede komen aan een schadefonds geweldsmisdrijven dat wél goed werkt.

Zo ver is het nog niet. Wat niet wegneemt dat afschaffing van ne bis in idem en verjaring van ernstige misdrijven stappen in de goede richting zijn: beide zijn verjaard. Bovendien vergeten tegenstanders van afschaffing dat het eerdergenoemde opportuniteitsbeginsel aan een (verstandig) OM de ruimte laat om zaken alleen te willen (her)openen als er echt iets op het spel staat, bijvoorbeeld voor slachtoffers. En alleen als DNA- en andere nieuwe technieken toch overtuigend bewijs opleveren.

Dr. H.J.R. Kaptein doceert rechtsfilosofie aan de Universiteit van Amsterdam