Hout- en huisduiven

Ze houdt haar kopje scheef, blikt even naar links en naar rechts, fladdert van de reling van de muziekkoepel op hem af en landt op zijn stuur. Uit zijn fietstas pakt hij een zakje met vogelzaad, strooit wat in de palm van zijn hand en houdt het haar voor.

Zonder aarzelen pikt ze de zaadjes vliegensvlug uit zijn hand terwijl hij naar het volgende blikje bier grijpt.

,,Die duif heeft het goed voor elkaar'', merk ik lachend op.

,,Ze is een houtduif meneer'', klinkt het in plat-Amsterdams accent. Hij zet het blikje bier op zijn zadel en aait de houtduif over haar kopje.

Als ik naar twee verderop waggelende stadsduiven kijk, zie ik onmiskenbare verschillen. Zíj heeft een roodgeel snaveltje, een blauwgrijs kopje met aan de achterzijde zwarte streepjes, een wit kraagje en een paarsig lijfje. Ze is stukken mooier dan de doodordinaire duif, concludeer ik.

Een andere alcoholist komt er bij staan. ,,Ze is geen houtduif meer, maar een huisduif... Lekker makkelek wijfie, hè Jan'', schatert hij uit.

,,Tam is ze zeker én knap ook'', kom ik tussenbeide.

,,Zeker weten, dit wijfie ken-ie nog in z'n hand houwe, and're niet meer.''

Onverstoorbaar gaat Jan door met het voeren van zijn vriendin. Als ze uitgegeten is, strijkt hij over haar verenmantel. Dat laat ze zich wel gevallen. Even later vliegt ze weg.

,,Daar gaat je liefie, Jan.''

Zo gewonnen zo geronnen, denk ik. Nooit viel het me op dat er in de stad twee soorten duiven rondvliegen.