Het recessie-recept van Heinsbroek

Nu het conjunctureel steeds slechter gaat, wil minister Heinsbroek van Economische Zaken de economie stimuleren. Maar in de jaren zeventig bleek al dat het effect daarvan niet zeker is. Men neme een Bentley...

De onroerendezaakbelasting al in 2003 afschaffen in plaats van aan het eind van de kabinetsperiode, het kwartje van Kok al volgend jaar terug naar de burger en een verlaging van de sociale premies voor de werkgevers. Minister Heinsbroek van Economische Zaken laat er geen gras over groeien. De nieuwe bewindsman stuurde vrijdag een brief met deze voorstellen naar de leden van het kabinet en citeerde er de volgende dag uit in de Volkskrant.

Heinsbroeks idee is in Europa geen uitzondering. Overal in de Europese Unie zetten de lidstaten hun voorgenomen begrotingsdiscipline op een laag pitje nu de economie tegenvalt. Dat maakt volgens een raming van de zakenbank Credit Suisse First Boston dat het gemiddelde begrotingstekort in de EU, zoals het er nu naar uitziet, oploopt van 1,6 procent van het bruto binnenlands product (bbp) in 2001 naar 2 procent dit jaar. Voor volgend jaar is het afwachten. Maar de belastingverlagingen in Italië onder Berlusconi en het plan van de nieuwe Franse regering om pas in 2006 op een begrotingsbalans uit te komen in plaats van in 2004, zoals eerder voorgenomen, geven reden aan te nemen dat het strikte begrotingsbeleid even niet ter zake doet. De economie is belangrijker. Dat geldt zeker ook voor de Verenigde Staten. Daar slaat, onder invloed van een tegenvallende economie, lastenverlichting en verhoogde defensie-inspanningen, een overschot van 1,4 procent van het bbp in 2001 om in een tekort van 0,6 procent of erger dit jaar.

Een deel van zo'n verslechterend begrotingssaldo heeft te maken met de conjunctuur: valt de economische groei tegen, dan zijn de belastinginkomsten kleiner en de uitgaven van de overheid juist hoger. De Nederlandse begroting was in 2000 nog 1,4 procent van het bbp positief. Dat overschot kromp vorig jaar naar 0,2 procent. Morgen komen er nieuwe ramingen van het Centraal Planbureau, dat tot nu toe voor 2002 nog een begrotingssaldo in evenwicht raamt (0,0 procent), maar dat best wel eens zou kunnen veranderen in een geraamd tekort voor 2002. De begroting deint zo mee op de conjunctuur en vormt een buffer bij economische tegenspoed.

Anders wordt het als er een actief conjunctuurbeleid zou worden gevoerd: de economie met extra uitgaven of lastenverlichting stimuleren als het conjunctureel slecht gaat en bezuinigen als het juist bovengemiddeld goed gaat met de economie.

Heinsbroeks voorstellen gaan in de richting van een actief conjunctuurbeleid en zouden het begrotingssaldo volgend jaar verder in het rood duwen. Zijn voorstel gaat gepaard met drie onzekerheden, die in de jaren zeventig maakten dat soorgelijk beleid niet tot het gewenste resultaat leidde.

De eerste is timing. Stimuleringsmaatregelen voor de economie worden doorgaans pas verzonnen als het al slecht gaat. Er zit een onvermijdelijke vertraging tussen het voorstel en zijn uitvoering. En er zit een vertraging tussen de uitvoering en het effect op de economie. Grote kans dus dat het stimulerende effect pas optreedt als de economie het al niet meer nodig heeft. Of dan juist te veel olie op het vuur gooit van een economisch herstel. Misschien duurt het huidige economische dal wel langer dan tot volgend jaar, maar niemand die het kan weten. Zodat een actief conjunctuurbeleid alleen al door de onmogelijkheid van timing door economen wordt afgeraden.

Tweede onzekerheid is het effect. Wat gaat de consument doen met zijn extra koopkracht? Ook dat weet niemand. Hij kan het geld opsparen, zoals Amerikanen voor een belangrijk deel hebben gedaan met de lastenverlichting van de regering-Bush.

De consument kan het extra geld ook uitgeven. Dat is waar Heinsbroek op hoopt. Maar mochten die uitgaven vooral neerkomen op duurzame goederen, dan komt dat maar in beperkte mate neer op stimulering van de binnenlandse bedrijvigheid. Alles wat bij wijze van spreken ingewikkelder is dan een stofzuiger wordt in dit land niet meer geproduceerd maar ingevoerd. We nemen, om maar een voorbeeld te noemen, een auto, in het geval van Heinsbroek een Bentley. De aankoop komt via de belasting deels weer terug naar de Nederlandse schatkist. Verder komt de aanschaf ten goede aan de Britse bedrijvigheid, aan de Duitse grootaandeelhouder Volkswagen en een beetje aan de Nederlandse importeur. Pas bij de eerste grote beurt valt er enige stimulering van de Nederlandse economie van betekenis te verwachten. De invoer van de Bentley wordt boekhoudkundig overigens van het Nederlandse bbp afgetrokken. En is dus negatief voor de economische groei.

Al met al is het economische effect van een koopkrachtimpuls op de economie buitengewoon moeilijk te voorzien. Gaat het geld naar de bakker om de hoek of naar de nieuwe Koreaanse stereotoren? Het effect van het verlagen van de werkgeverslasten, een deel van Heinsbroeks voorstel, is directer en waarschijnlijk vruchtbaarder.

Maar dan is er de derde onzekerheid. Stimuleren in tijden van laagconjunctuur is één ding, maar de vraag is of de discipline er straks is om die extra uitgaven weer terug te halen als het economisch weer voor de wind gaat. En ook dan treedt het timingprobleem op.

Welke budgettaire gevolgen heeft Heinsbroeks plan? De jongste raming voor het begrotingssaldo in 2003 is een tekort van 0,2 procent. De afschaffing van de onroerendezaakbelasting komt op 2 miljard euro, het kwartje van Kok op 0,5 miljard euro. Als deze bedragen direct al ten koste gaan van de begroting, dan loopt het tekort al op tot 0,7 procent. Dit scenario is overigens gebaseerd op een redelijk economisch herstel in 2003 én de bestaande strikte budgettaire voornemens van het kabinet-Balkenende. Extra lenen door de overheid is geen probleem, zei Heinsbroek zaterdag. ,,De pensioenfondsen zullen er blij mee zijn.''

Ook dat dachten ze in de jaren zeventig al.