Het nieuwe Afrika groeit van onder af

Rijke landen moeten in hun `partnerschap' met Afrika niet alleen zaken doen met regeringen. Ze moeten ook de initiatieven die burgers zelf hebben genomen ondersteunen, vindt Abdullah Mohamoud.

Sinds Afrikaanse leiders vorige maand in het Zuid-Afrikaanse Durban verklaarden dat het continent op een keerpunt in zijn afschuwelijke geschiedenis is beland, heeft de vorming van een nieuw Afrika, in elk geval op papier, haar beslag gekregen. De `Afrikaanse renaissance', die al zo lang wordt bepleit door president Thabo Mbeki van Zuid-Afrika, is aangebroken. Om het continent op die rooskleurige toekomst voor te bereiden werd de belegen en slecht toegeruste Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE) ontmanteld en op de puinhopen een nieuwe Afrikaanse Unie (AU) opgericht.

Daarnaast presenteerden de Afrikaanse leiders de wereld een nieuw ontwikkelingsplan onder de naam: het Nieuwe Partnerschap voor Afrikaanse Ontwikkeling (NEPAD), dat Afrika naar hun mening uit zijn huidige crises zal verlossen. Afrika hoopt met deze nieuwe AU en NEPAD te breken met zijn verleden van onuitroeibare armoede en politieke beroering, dat door Tony Blair wel eens `een litteken op het geweten van de wereld' is genoemd.

Op papier zijn deze beloften prijzenswaardig, maar ze zullen niet zo eenvoudig kunnen worden ingelost. Daarom is in Afrika buiten de kring van politieke leiders en overheidsfunctionarissen met ingehouden scepsis gereageerd. Een van de grote uitdagingen is het structurele probleem en het zwakke karakter van de staat in Afrika, die een beletsel blijven voor een geslaagde uitvoering van elk economisch en politiek beleid, ook als de opzet van dat beleid juist is. Een verdere zorg is dat het verleden van Afrika heeft geleerd dat grandioze en peperdure plannen van overheidswege nooit een succes zijn geweest. Ze werden meestal bedacht en uitgevoerd zonder inbreng en actieve deelname van de doelgroepen en plaatselijke belanghebbenden.

Er is echter ook een ander Afrika in opkomst, dat het continent een tijdperk in kan loodsen waarin vrede en stabiliteit heersen. Dit nieuwe Afrika uit zich in alternatieve bestuursvormen die in sommige delen van het continent al een tijdje functioneren. Deze alternatieve politieke organisaties zijn op touw gezet door mensen ter plaatse en sociale krachten uit de bevolking, als een proces van onderaf dat een reactie is op de verzwakking of ineenstorting in tal van Afrikaanse landen van de gecentraliseerde staatsinstellingen van bovenaf. Ze manifesteren zich dan ook als vernieuwende vormen van lokale en regionale machtscentra, die in een bepaald opzicht wijzen op een organisch proces van staatsvorming van onderaf.

De burgers, die door de staatscrises worden geteisterd in de vorm van aanhoudende burgeroorlogen en binnenlandse conflicten, hebben het initiatief genomen om te experimenteren met dit alternatieve politieke stelsel, dat in staat blijkt orde op zaken te stellen en dat past bij de omstandigheden van hun plaatselijke realiteit.

Een treffend voorbeeld is de ontwikkeling na de conflicten in Somalië. Na meer dan tien jaar anarchie ontstaan daar `vredeszones' naast `conflictzones'. De `vredeszones', waar de bewoners vrede en veiligheid genieten, zijn ontstaan in grote delen van het noorden van het land, zoals Puntland en Somaliland. Die zones zijn gepacificeerd doordat maatschappelijke groeperingen het heft in handen namen en gebruik hebben gemaakt van hun culturele en politieke middelen en sociale vermogen om orde op zaken te stellen, en op lokaal niveau levensvatbare politieke instellingen te vestigen.

De `conflictzones' in de zuidelijke delen van het land blijven nog voortbestaan, als gevolg van de aanhoudende machtsstrijd tussen politieke leiders en krijgsheren. Daarnaast hebben de Somaliërs in de vreedzame zones gestreefd naar een selectieve integratie van de lokaal bestaande normen, waarden en instellingen in de moderne structuren, en getracht uit die twee een plaatselijk en regionaal bestuur te vormen dat bewoners herkennen, en als hun eigen bezit ervaren. Dergelijke ontwikkelingen worden ook waargenomen in Liberia en Sierra Leone, waar vooral onder leiding van vrouwen plaatselijke gemeenschappen weer een basisniveau van leven herstellen, al krijgen zij buiten het continent vrijwel geen media-aandacht.

Dankzij deze opkomende vormen van `inheemse' politieke organisaties, in landen waar de staat geheel of gedeeltelijk ineen is gestort, is gezamenlijk bestuur tegenwoordig aan de orde van de dag. Sinds 1990 wordt een bepaald deel van het publiek terrein bestreken door niet-overheidsorganen die bestaan uit maatschappelijke instellingen en binnenlandse non-gouvernementele organisaties. Zij hebben de verantwoordelijkheid aanvaard om tal van eerste levensbehoeften te verzorgen in die landen waar de staat niet meer functioneert.

Het terrein dat deze organisaties bestrijken zal in de nabije toekomst door de meeste staten niet worden herwonnen, want daarvoor zijn ze te zeer uitgehold en verzwakt.

Het toverwoord voor de nieuwe verhouding tussen Afrika en de rijke wereld is nu `partnerschap'. Maar als de rijke geldschieters dit nieuwe partnerschap optimaal willen benutten, moeten ze niet alleen overeenkomsten sluiten met regeringen en bestaande instellingen van bovenaf, maar ook met non-gouvernementele organen en hun vertakkingen van onderaf. Dat is daarom dringend geboden omdat de omvang van de armoede en het leed op het continent angstaanjagend is, en de mobilisatie vergt van het hele Afrikaanse volk en zijn maatschappelijke en politieke instellingen op elk niveau.

Dr. Abdullah Mohamoud is als Afrika-deskundige verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.