Een doorgangshuis voor vogels

Vanuit een witgesausd kerkje, dat op de grens van land en zee staat, rolt een helder klokgelui op ons toe. Het is zondagmorgen tegen elven, op Fair Isle, een eilandje boven Schotland, halverwege de Orkneys en de Shetlands. Er is veel wit in het landschap - van schapen, veenpluis en de vuurtoren op de achtergrond. Boven de weiden en de zee drijft een dichte wolkenlaag. Kleine boerderijen, die omgeven zijn door stenen stapelmuurtjes, liggen verspreid in de ruimte.

Het lijkt een plattelandsidylle, een woonplaats van hobbits, al grensde de Gouw niet aan zee. Het eiland doet zijn naam in ieder geval eer aan. Fair Isle heeft bij vogelaars een bekende klank. Het is een doorgangshuis voor vogels die in het voorjaar op weg zijn naar noordelijke broedgebieden en in het najaar in zuidelijker streken overwinteren. Maar ook vogels uit Amerika en Siberië raken op het eiland verzeild. In de jaarlijkse rapporten van de Bird Observatory staan hun namen en aantallen opgetekend.

Vanmorgen vroeg maakten wij met een jonge ornitholoog een ronde langs de vangnetten. Die staan op strategische punten opgesteld - over muurtjes heen, aan het eind van slenken, in het verlengde van heuvellijnen en andere aanvliegroutes. De fuik eindigt in een kastje, waarvan de deur door een touw kan worden geopend. Het door een raam binnenvallende licht is voor de gevangene het signaal dat er een weg naar de vrijheid voert. Mooi niet dus. Het dier verdwijnt in een katoenen zakje waar het van de schrik kan bekomen. Later wordt het op het station geringd, gemeten en gewogen; ook blaast de onderzoeker een kijkgaatje tussen de borstveren, om te bepalen hoe groot de vetreserve is.

Vanmorgen (21 juli) bedroeg de oogst een zwartkop en een frater (een soort vink). Gisteren was het resultaat nog beroerder - slechts een jonge merel, en beslist geen Amerikaanse geelkopmerel, een van de zeldzaamste dwaalgasten op het eiland, maar een doodgewone huis-, tuin- en keukenmerel. Hoewel, doodgewoon, op Fair Isle is de merel veel zeldzamer dan bijvoorbeeld de papegaaiduiker, die bij duizenden langs de kustrand broedt. Kortom, het duurt nog even voor de grote uittocht naar het zuiden begint.

Het vogelstation ligt in het ruigere noorden, het dorp in het lagere en vruchtbaardere zuiden. Tot 1955 was het eiland particulier bezit. Daarna ging het over in de handen van de National Trust for Scotland. In de jaren vijftig dacht de Trust erover het eiland, net als St. Kilda in de Buitenste Hebriden, te ontvolken. Maar dat stuitte bij de crofters (keuterboeren) op heftig verzet. Familie, die al lang naar de Orkneys of de Shetlands was uitgeweken, keerde terug naar de bedreigde veste. Het dorp telt nu 69 inwoners.

Tijdens de kerkdienst gaat het er ontspannen aan toe. De dominee – een gemoedelijke, buikige man in blauw overhemd met wit boordje – praat over sport, liefde en geloof. Hij plukt een oude vriend uit de banken en laat zien dat hij, net als vroeger, het hardst kan lopen. Hijgend keert hij terug naar de preekstoel.

Bij het zingen van de hymne `I need Thee, O, I need Thee', vallen ons een paar fraaie vrouwenstemmen op. Als we weer buiten staan, merkt een Nieuw-Zeelandse, die op het trekstation werkt, op dat de mensen hier rijkelijk met talenten zijn gezegend. Niet alleen hebben ze allemaal vier of vijf banen, maar ze zijn ook geweldig creatief. De glas-in-loodramen in de kerk zijn gemaakt door een plaatselijke kunstenaar. De wollen truien van het eiland zijn wereldberoemd. De bewoners maken prachtige spinnewielen en stoelen van hout en haverstro en zelfs violen die naar alle hoeken van de wereld worden verstuurd.

Later op de dag maken we een rondje langs de werkplaatsen van deze ambachtslieden. Die van grootvader Thomson staat vol met zelfgemaakt gereedschap en onderdelen van spinnewielen. Hij laat zien hoe je de wol moet kaarden en hoe je er daarna een ragfijne draad uit kunt spinnen. Zijn zoon Stewart is de stoelenmaker; het eilandmodel is dat van een ouderwetse strandstoel. Kleinzoon Ewen bouwt violen; niet voor leden van grote orkesten, maar voor studenten en spelers van Schotse en Ierse volksmuziek.

De witte vuurtoren, die de zuidpunt van het eiland siert, heeft beslist iets met deze handvaardigheid van doen. Zowel de grootvader als zijn zoon heeft de toren vele jaren bemand. Als 's nachts de lamp brandt heeft de wachter de handen vrij. Hij kan gaan schilderen, zoals Stewart, of gaan knutselen, spinnen, politoeren of vedelen. Of hij kan zich verdiepen in het werk van de rusteloze Schotse schrijver Robert Louis Stevenson, wiens broer deze vuurtoren heeft gebouwd.