Zie zie, gierzwaluw

Gisteren een vogel die nooit vliegend wordt gezien, de kwartelkoning, vandaag een vogel die uitsluitend vliegend wordt gezien, de gierzwaluw. Gierzwaluwen jagen vliegend, slapen vliegend en paren vliegend. Hadden ze nou ook nog een manier gevonden om hun eieren in de lucht te houden, dan konden ze hun hele leven vliegend doorbrengen. Maar om te broeden hebben ze een ondergrondje nodig. Zo doet ieder dier zijn concessies aan het meedogenloze nageslacht.

Met Heleen van Heuvel, Weimarstraat, Den Haag, onderhield ik mij om te beginnen over haar eigen nageslacht. Een Gijs was er al en op 27 mei is de tweeling geboren, en die heeft het toen als uit één mond op een huilen gezet. Moeder wordt gesloopt en vader vergaat het niet veel beter. Hij is bezig een woning aan de Groot Hertoginnelaan op te knappen voor het vergrote gezin. Dat ziet er momenteel uit als een bouwput, terwijl ze dringend moeten verhuizen.

Vervolgens gingen we naar boven, de zolderetage, het waskamertje. Nu moet je weten dat Klaas hier eerst alleen heeft gewoond. Dit was zijn keuken. Daar de aanrecht, de afzuigkap, de afvoerbuis. Dat is inmiddels allemaal weggebroken – behalve het stuk buis dat nog steeds als een dikke worm in de buitenmuur steekt, want daar zaten elk jaar zwaluwen in.

We keken naar dat stomme stuk buis en we zwegen, Heleen en ik. En de tweeling zweeg toevallig ook. Toen vulde de stilte zich met het gekras van ragfijne nageltjes. Daar roerde zich iets. `Lief hè', zei Heleen en het klonk heel lief zoals ze dat zei.

Op dat moment, alsof het zo was afgesproken, flitste er een gierzwaluw langs het raam. Althans, wat had het anders dan een gierzwaluw kunnen zijn? Zij hebben die razende vaart en dan maken ze zo'n fantastische slinger, net de zwaai van een schommel, om precies op het keerpunt, snelheid vrijwel nul, bij de nestingang uit te komen - ze klampen zich vast, werken zich naar binnen en voeren de jongen.

In de buis zwol het gekras van nageltjes even aan. Daar werd geworsteld, daar wilde niemand voor iemand onder doen. ,,'s Morgens vroeg kan daar een beetje gegil bij komen'', zei Heleen. Maar dat was dan ook het enige wat je overlast zou kunnen noemen. Geen stank, geen poepstrepen, niets.

In hun natuurlijke habitat nestelen gierzwaluwen in de kieren en spleten van rotswanden. Bij ons, stadsvogels bij uitstek, nestelen ze in de kieren en spleten van oude gebouwen. Dus dan vliegen ze niet, maar dan zie je ze ook niet.

Natuurlijk, als je zwaluwen in huis hebt, maken ze deel uit van je dagelijks leven. Ze geven een heel eigen ritme aan het verstrijken van de jaren.

Begin mei: de zwaluwen zijn terug, de blijde vervulling van een onuitgesproken verwachting. Als je in dat kamertje moet wezen, dat je ze dan even gedag zegt. Als je daar staat te strijken, dat je dan van die zuiggeluidjes maakt om je met het jonge grut te verstaan. Als je een lange zomeravond op het balkon zit, dat je dan helemaal gebiologeerd raakt door het af en aan van de oudervogels, net kleine Spitfires met een aanvalsmissie. En eind juli: de zwaluwen zijn weg, een beetje een droevige leegte.

,,Het liefst'', zei Heleen, ,,zou ik ze meenemen naar de Groot Hertoginnelaan.'' Maar ze zal ze moeten achterlaten, overgeleverd aan de genade van de huisbaas – je kunt op je vingers natellen dat die de boel gaat verbouwen en die zal dat stuk buis echt niet laten zitten.

Wat te doen?

Ik trok de buitendeur zachtjes achter me dicht, de tweeling zweeg nog steeds. Het straatrumoer viel met zinloos geweld over me heen. De hemel boven de stad was strakblauw en voor het moment volstrekt zwaluwloos. De hele dag liep ik al aan een gedicht van Guido Gezelle te denken, waarin de gierzwaluwen bijna letterlijk over het papier scheren. Zie, zie, zie. En dan nog een keer: zie, zie, zie – met steeds meer uitroeptekens.

Nu heb ik even met Fred Hustings van SOVON gebeld. SOVON staat op het punt een nieuwe Nederlandse broedvogelatlas uit te brengen, de opvolger van die van 1979. Destijds werd de gierzwaluw op vijftig- tot vijfentachtigduizend broedparen geschat.

Het is, geeft Fred te kennen, een van de lastigste soorten om te tellen, een buitengewoon arbeidsintensief beestje. In de steden is de broedgelegenheid door de renovatie- en netheidsmanie van de laatste decennia ongetwijfeld afgenomen.

Maar daar staat de verstedelijking van het platteland tegenover. De verspreiding kan dus zijn veranderd; de aantallen, laten we het daar maar op houden, zijn gelijk gebleven. Over gierzwaluwen in het algemeen hoeft een jonge moeder in Den Haag zich daarom geen zorgen te maken.

,,Nattevingerwerk'', roept Marjos Mourmans mij vanuit Roosendaal toe als ik haar met de SOVON-conclusies confronteer. Zij zit tot over haar oren in het zwaluwenwerk. Ze runt op dit terrein een adviesbureau op non-profitbasis. Ik heb een paar van die adviezen onder ogen gehad. Met deze instelling zit het, dacht ik, wel goed.

Marjos verwijst meteen naar het baanbrekende onderzoek van de Duitser Erich Kaiser. Die is er jaren en jaren mee bezig geweest en heeft uiteindelijk vastgesteld dat een groot deel van de gierzwaluwen die rond zijn huis zwermden, nooit een nestplaats kon veroveren.

,,Ik zie in Nederland'', voegt Marjos daaraan toe, ,,een heleboel nestplaatsen verdwijnen en er maar weinig voor terugkomen.''

,,Toch wemelt het overal van de gierzwaluwen'', werp ik tegen.

,,Naarmate ze zichtbaarder zijn'', zegt zij dan weer, ,,gaat het slechter met ze. Dat kan ik niet bewijzen, maar dat zegt mijn gevoel. Zo zichtbaar zijn ze in ieder geval vooral zolang ze niet tot broeden komen. Ik spreek dan ook van een vergrijzende populatie.''

Goed, die situatie in de Weimarstraat. Iemand gaat verhuizen, een zwaluwnest blijft onbewaakt achter. We hebben dan met de Europese Vogelrichtlijn van 1994 van doen, en natuurlijk ook met bepalingen uit onze eigen nieuwe Flora- en Faunawet.

Zolang het nest bezet is, mag er niets ten nadele van de vogels worden ondernomen. Wanneer de jongen zijn uitgevlogen, geniet de plaats zelf, waarop de gierzwaluwen nu immers al jaren achtereen terugkeren, nog steeds een wettelijke bescherming.

,,Als de huisbaas'', zeg ik, ,,die buis wil verwijderen, moet hij in feite ontheffing aanvragen.''

,,In feite wel'', beaamt Marjos, ,,maar ik moet er bij zeggen: er is op dit punt geen enkele jurisprudentie.''

,,Maar straks'', zeg ik, ,,is er niemand meer die hem op de vingers kijkt.''

,,Je moet hem vragen'', zegt zij, ,,om naast de huidige nestopening een gierzwaluwenkast op te hangen. Dat kost hem misschien 50 euro en dan is-ie van al het gezeur af.''

,,Je moet hem sommeren'', zeg ik.

,,Je moet hem vragen, herhaalt zij met nadruk. ,,Je moet hem dat laten doen omdat hij een goed hart heeft, niet omdat de wet hem ertoe verplicht.''

,,En moet die vrouw in Den Haag dat dan zelf doen?'', vraag ik. ,,Of kan iemand anders het ook doen – kan iedereen iedereen in Nederland sommeren om zuinig te zijn op gierzwaluwen?''

,,Ik wil het wel namens haar doen'', biedt Marjos aan. ,,Of de Haagse Vogelbescherming, dat maakt misschien nog meer indruk. Misschien wil die man wel een heel rijtje nestkasten ophangen. Mooie foto in de krant, leuk stukje erbij, iedereen gelukkig.''

Het grappige is – dat realiseer ik me natuurlijk hierna pas – dat we al doende precies het patroon van dat gedicht van Guido Gezelle hebben gevolgd. Zie, zie, zie laat hij ze eerst uitgieren, en dan: wie, wie, wie – met steeds meer vraagtekens.