Springsteen als patriot naast Bush

Op The Rising, zijn eerste nieuwe studioplaat sinds achttien jaar, beperkt Bruce Springsteen zich tot het leed dat de terroristische aanvallen bij gewone Amerikanen hebben aangericht. Maar voor wraakgevoelens is geen plaats.

Alle vijftien songs werden direct of indirect geïnspireerd door de gebeurtenissen van 11 september, meldt Bruce Springsteen bij het verschijnen van zijn nieuwe cd The Rising. Voor het eerst in achttien jaar maakte `The Boss' weer een volledig studio-album met zijn E Street Band, de groep die na Born In The USA (1984) alleen nog voor incidentele opnamen of live-werk werd ingeschakeld. Na de folkmuziek van zijn solo-album The Ghost Of Tom Joad vond Springsteen het weer eens tijd om een krachtige rockband in zijn rug te voelen, inclusief achtergrondzang van zijn eega Patti Scialfa en de extra gitaar van Nils Lofgren. Het geluid van The Rising is vertrouwd en bombastisch, voortgestuwd door de denderende mokerslagen van drummer Max Weinberg en dichtgeplamuurd met de synthesizervegen van `Professor' Roy Bittan.

De aanslagen op het World Trade Center gaven Springsteen (52) genoeg stof om een album van 73 minuten te vullen, opgenomen in de voor hem ongeëvenaarde recordtijd van acht weken, onder de hoede van Pearl Jam-producer Brendan O'Brien. Met songs als Into the fire en The rising verplaatst The Boss zich in de heldhaftige belevingswereld van de New Yorkse brandweerlieden, die zich met volle bepakking een weg naar boven vochten om te redden wat er te redden viel. Anders nummers, zoals You're missing en Nothing man, behandelen het gevoel van verlies bij de overlevenden. The Rising is een somber album, dat echter nergens zo desolaat klinkt als het kale en hopeloze Nebraska uit 1982. De hoop overheerst en met het bitterzoete Empty sky bevat het album tenminste één onmiddellijk herkenbare Springsteen-klassieker.

Bruce Springsteen had nog iets goed te maken met de politie van New York, nadat de NYPD in juni 2000 een boycot over zijn concerten uitsprak naar aanleiding van het nummer American skin (41 Shots) waarin de zanger zich kritisch uitliet over gewelddadig politie-optreden. Als vanouds neemt Springsteen het op voor de `blue collar workers' en na zijn bijdrage aan het Tribute To The Heroes-concert voor de nabestaanden van 11 september, wordt aan zijn goede bedoelingen niet meer getwijfeld.

In een interview met The Times betuigde de zanger eerder deze week zijn instemming met de manier waarop de regering van George W. Bush de oorlog tegen het terrorisme heeft ingezet. Hij was blij verrast, zei Springsteen, dat Bush zich meteen actief op Afghanistan heeft gericht en dat de militaire acties zo efficiënt zijn verlopen. Maar, zo wees hij op het vlagvertoon in de VS, ,,patriottisme mag nooit het alleenrecht worden van extreem-rechts. Die vlag is ook míjn vlag.''

In de teksten van The Rising beperkt Bruce Springsteen zich tot het leed dat de terroristische aanvallen bij gewone Amerikanen hebben aangericht. Alleen in het nummer World's apart toont hij consideratie met de Arabische wereld, in de vorm van een muzikale bijdrage van de Asif Ali Khan Group. ,,May the living let us in / before the dead tear us apart'', zingt hij met begeleiding van qawwali-muziek die hoort bij de liberale Sufi-afspliting van de islam.

Voor wraakgevoelens of moordzucht is op The Rising geen plaats, evengoed als ze op Nebraska onmisbaar waren. Door enkele mindere nummers (het voorpelbare liefdeslied Let's be friends en de Weinberg-beuker Further on) blijft The Rising niet net als The River de volle lengte van een ouderwetse dubbelelpee boeiend. Maar het actuele karakter plaatst de epische rockmuziek van Bruce Springsteen & The E Street Band weer volop in het heden.