Religie blijft altijd bestaan

Onkerkelijken hebben even vaak religieuze ervaringen als kerkelijken. De mens is van nature religieus, aldus de godsdienst-psycholoog prof.dr.J. Janssen. Zelfs ongeloof is een vorm van religie.

Tijdens een TV-interview verklaarde GroenLinks-voorman Paul Rosenmüller eens dat hij en zijn gezinsleden bidden voor het eten. Maar óók zei hij dat hij geen speciale religie aanhing en ook geen kerk bezocht. Dit is geen uitzondering. Uit het al enige jaren lopende Nijmeegse onderzoek naar Sociale en culturele ontwikkelingen in Nederland (SOCON), blijkt namelijk dat het idee dat met de voortschrijdende ontkerkelijking ook de religie zelf uit de samenleving verdwijnt, onjuist is. Ook buiten kerkelijk verband wordt er in Nederland nog volop gebeden. Sterker, uit dit onderzoek komt eveneens naar voren dat het aantal religieuze ervaringen, zoals gevoelens van `heiligheid' en `totale verbondenheid met alles', onder kerkelijken en niet-kerkelijken gelijk is. De correlatie tussen kerklidmaatschap en religieuze ervaring is nul, zo blijkt.

Omdat mensen, conform de tijdgeest, niet langer bij een groep wensen te horen (stamdenken is uit, `ik ben ik' is in) creëeren de buiten-kerkelijken hun eigen, hoogstpersoonlijke religie en wordt er ook naar hartelust gerelishopt: elementen uit de meest uiteenlopende religies worden naar eigen smaak gecombineerd. Uit het SOCON-onderzoek kan dan ook de conclusie worden getrokken dat religie en kerk weliswaar uit elkaar groeien, maar dat religie als zodanig springlevend is – tot verbijstering van de onderzoekers overigens.

Voor de nieuwe Nijmeegse hoogleraar godsdienstpsychologie, prof.dr. J. Janssen, was dit opmerkelijke feit aanleiding om in zijn onlangs uitgesproken oratie te spreken van een biologisch verankerde God. De mens is van nature religieus, stelt hij. Janssen licht op zijn werkkamer aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen zijn stelling toe: ``Het gaat hierbij om twee aspecten, het empirische en het psychologische. Allereerst is er het empirische gegeven dat mensen allerlei religieuze opvattingen, gevoelens en gedragingen blijven vertonen op het moment dat zij niet langer participeren in de religieuze instituties. Vanuit dit empirische gegeven kun je de zaak dan psychologisch bezien en opperen dat religie wellicht een manier is waarop mensen omgaan met het onvermijdelijke, oftewel met hun besef dat ze sterfelijk zijn. Want ons bewustzijn geeft ons weliswaar een grote voorsprong op andere diersoorten om te overleven, maar het heeft als een nadelig bijeffect dat we ons er óók van bewust zijn dat we uiteindelijk níet zullen overleven. Daarom zijn mensen bijna overdreven bezig met zich een zinvolle plek te veroveren in een zinvolle wereld. En daar dient onder andere de religie voor. Zelf ga ik nog een stapje verder door te stellen dat religie klaarblijkelijk niet iets is dat je bij gelegenheid van een historische ontwikkeling - het verdwijnen van de kerken - kunt afschaffen. En zo kom ik dan tot de uitspraak dat God biologisch is verankerd. Mensen dragen religie in zich. Hierbij doel ik overigens niet alleen op het onderzoek van D'Aquili en Newberg, die hebben laten zien dat bij meditatie een bepaald gebied in de hersenen wordt ondergestimuleerd door afnemende bloedtoevoer, maar ook en vooral op het feit dat religie zo hardnekkig is. Religie zit zogezegd in onze genen.''

Hoe zou religie dan evolutionair kunnen zijn ontstaan?

``Dat is een buitengewoon ingewikkelde kwestie. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat religie uit ritueel gedrag is ontstaan, ritueel gedrag zoals je dat ook wel bij sommige dieren, vooral bepaalde vogelsoorten, waarneemt. In een latere fase van de evolutie zijn we door een toenemend bewustzijn wellicht gaan beseffen dàt we rituelen uitvoerden en zijn we er toen redenen voor gaan bedenken. Zo van: ik dans om die boom omdat dit goed is voor de oogst. Misschien is het dus als een soort bijgeloof begonnen - ook om het toeval een beetje de baas te worden - en zijn er in weer een later stadium hele geloofsystemen van gemaakt. Het interessante van deze tijd is dat we dit alles in toenemende mate beseffen, waardoor het nu vrijwel onmogelijk is geworden religie op de oude wijze te organiseren.''

Hoe kijkt u aan tegen de opvatting van de Nederlandse filosoof Frits Staal die, na de bestudering van Vedische rituelen, heeft geconcludeerd dat rituelen op zichzelf betekenisloos zijn?

``Ik vind zijn werk bijzonder interessant, alleen denk ik niet dat dit helemaal is vol te houden, of liever gezegd, wat versta je onder betekenisloos? Want Staal zegt ook dat mensen er rustig van kunnen worden. Op die manier smokkelt hij toch een functie van het ritueel binnen. Ik heb zelf eens een artikel geschreven over het effect op mensen van de Gregoriaanse zang. Daarbij komen mensen ook in een rusttoestand, die op zichzèlf betekenisloos is. Vervolgens wordt die rusttoestand dan met betekenis gevuld. Een mooi voorbeeld vind ik eveneens het bidden van de rozenkrans, een katholiek ritueel. Dat wordt in groepjes van tien gedaan, waarbij er een hele serie weesgegroeten achter elkaar wordt gebeden. Dan weet je al snel niet meer wat je zegt, het is alleen nog maar een dreun. En ook dat geeft rust. Je kunt ook andere woorden zeggen, als maar die dreun ontstaat. Met andere woorden: ook hier gaat het niet om de inhoud van het gebed, maar om het voortdurend herhalen van klanken - dat is natuurlijk ook het idee achter mantras. Maar dat hadden ze in de katholieke traditie dus al voorzien, want iedere keer dat je tien weesgegroeten moest bidden, kreeg je een geheim mee, zoals dat heet, een mandala waarover je moest nadenken. Terwijl je de weesgegroeten opdreunde, moest je dus over iets ànders nadenken. Voorop staat, kortom, de uítvoering van het ritueel, en niet waaròm je het ritueel moet uitvoeren. In die zin ben ik het volledig met Staal eens.''

Hoe past de ongelovige in het idee dat religie biologisch verankerd is?

``Als we religie zien als een psychologische functie, dan past het ongeloof hier ook in. En dan doel ik vooral op het ontlenen van zekerheid aan de overtuiging die men heeft. Zo kan ongeloof gepaard gaan met gevoelens van superioriteit ten opzichte van alle sukkels die denken dat er na de dood nog wel iets komt. Dus met grote stelligheid beweren dat religie onzin is, en dat gelovigen dom zijn, kan een stukje emotionele ondersteuning bieden aan de overtuiging dat God niet bestaat. Het is dus niet alleen maar een kwestie van een intellectueel-rationele redenering. Er komen ook gevoelens en emoties aan te pas. Ongelovigen bestrijden religie vaak ook op een bijna rituele manier. Neem de anti-religiestukken van Herman Philipse in de NRC. Die roepen een zelfde sfeer op als het betoog van een gelovige, namelijk een sfeer van grote zekerheid die rationeel helemaal niet verkrijgbaar is. De ongelovige schrijfster Nelleke Noordervliet heeft het eens treffend verwoord: ook je ongeloof kan het fundament van je leven zijn. Het is dus niet per definitie zo dat religie mensen gevoelens van zekerheid verschaft en ongeloof gevoelens van onzekerheid. Je kunt het zelfs omdraaien, religie geeft ook onzekerheid en angst, terwijl ongeloof juist zekerheid biedt. Met andere woorden: in termen van psychologische functies, maakt het in feite niet zoveel uit, of je nu de ene of de andere overtuiging hebt. Het zijn twee kanten van dezelfde emotionele medaille. Namelijk: de gevoelens van zekerheid die je aan je overtuiging ontleent. De inhoud van de overtuiging doet er in feite niet toe.''

U zegt dus niet dat alles religie is, oftewel dat een ongelovige eigenlijk ook een gelovige is.

``Nee hoor, daar laat ik me niet over uit. Ik doe slechts uitspraken over psychologische gesteldheden en mechanismen waarmee beide overtuigingen gepaard gaan. En dat is het verwerven van zekerheden, waarbij het meer om emoties gaat, dan om `zuivere' rationaliteit. Uit allerlei onderzoek blijkt namelijk dat die niet beschikbaar is. Zo heeft de Amerikaanse neurobioloog Antonio Damasio laten zien dat de meeste overtuigingen die we hebben, voor een groot deel op onze emoties zijn gebaseerd. Immers, als we alleen maar vanuit onze ratio zouden leven, dan zouden we niet weten wat me moeten kiezen, uit de talloze alternatieven die voorhanden zijn. We zouden eindeloze beslisbomen moeten doorlopen. Dat redt ons werkgeheugen niet. Door nu het aantal alternatieven emotioneel te reduceren, kunnen we die keuze wel maken. Vaak ook ligt een keuze emotioneel al vast, of liever gezegd: gaandeweg je leven ontwikkel je een voor- of afkeur voor een bepaalde geloofsovertuiging die steeds weer wordt bevestigd. Ook ontstaat vaak de neiging of de behoefte de overtuiging te rationaliseren. Maar daarbij moeten we dan niet vergeten dat dit meestal verhalen achteraf zijn, die de reeds gevèstigde, niet-rationele tot stand gekomen overtuiging moeten ondersteunen.''

Wat is, gezien vanuit de psychologie, dan nog de betekenis van een godsbeeld?

``Vooral voor moderne gelovigen is het godsbeeld eerder een functie dan dat het om een zijnde zou gaan. Een godsbeeld is iets dat werkt. In mijn oratie noem ik het een meewerkend voorwerp. Het gaat om iets of iemand die jou welwillend beziet of die jouw horizon omspant, zodat je niet van de wereld afvalt. Het is dus niet iemand die erop uit is jou te bevoordelen ten opzichte van anderen. Wat voor veel klassieke gelovigen trouwens een onuitstaanbare gedachte is. En het komt natuurlijk ook nog veel voor dat men wel denkt bevoordeeld te worden, zoals die Braziliaanse voetballers die menen de wereldcup aan God te danken te hebben. Het komt kennelijk niet in ze op dat dit dan wel een rare God is, die een hele boekhouding moet bijhouden voor wie er vandaag aan de beurt is om te bevoordelen. Maar goed, zo denken de moderne gelovigen in Nederland in ieder geval niet. Voor hen gaat het om dat meewerkend voorwerp.''

Hoe komt dat als je aan een Marokkaan of Turk vraag of hij gelovig is, hij dat eigenlijk als een retorisch vraag beschouwt: Natúúrlijk is hij gelovig.

``Ik zou het eigenlijk willen omdraaien: het is typisch Nederlands om uit te leggen waarom je gelooft of niet gelooft. Daarin zijn wij tamelijk uniek in de wereld. Bij de meeste volkeren is religie namelijk net zo vanzelfsprekend als de taal die men er spreekt. Neem bijvoorbeeld de Denen: die gaan collectief niet naar de kerk, nog een stuk minder dan Nederlanders. Niettemin noemt 95 procent zich lid van de Lutherse kerk. Dat is als het ware met het Deen-zijn gegeven, zoals hem ook de Deense taal is gegeven. Op dezelfde manier is het een Marokkaan of Turk gegeven moslim te zijn. Daar valt voor hen verder niets aan uit te leggen of te verantwoorden. Maar bedenk wel dan wel dat als jou wordt gevraagd waarom je Nederlands spreekt, je ook niet veel verder komt dan: nou, gewoon, omdat ik Nederlander ben.''

Vanwaar die uitzonderingspositie die Nederland inneemt, als het gaat om het geloof te verantwoorden?

``Nederland is altijd een lappendeken van religies geweest. Daardoor hebben we de gewoonte ontwikkeld te doen alsof we onze religie gekozen hebben. Maar eigenlijk is dat natuurlijk fake: want als je in Noord-Brabant woont, ben je vanzelfsprekend katholiek, woon je in Zeeland, dan ben je vrijwel altijd protestant. En dat heeft alles te maken met de historische bepaaldheid die wij dus ook kennen. Maar door al die religieuze versnipperingen denken wij dat we boven dat automatisme van de religie verheven zijn. Daar komt bij ons nog dat Calvinische trekje bij dat als je niet naar je religie leeft, je er dan maar beter afscheid van kunt nemen. Ook dat geldt namelijk niet voor de meeste andere volkeren, zoals ik al aangaf met het voorbeeld van de Denen. En hoeveel moslims zullen er niet zijn die vrijwel niets aan hun geloof doen, maar zich toch moslim blijven noemen?''

In uw oratie stipt u ook even de kwestie aan als zou bidden-op-afstand een positief effect hebben op de genezing van een zieke die niet weet dat er voor hem wordt gebeden. U lijkt er weinig vertrouwen in te hebben.

``Dat mag je zo wel stellen, ja. Los van de fouten die in veel van die onderzoeken zitten, lijkt het me namelijk zeer de vraag of God op ons verzoek wél de experimentele groep helpt, om vervolgens zo aardig te zijn om de controlegroep níet te helpen. Dat zou waarachtig een rare God zijn! Ach, ik moet er een beetje om lachen. Zo las ik een artikel, overigens in een keurig medisch tijdschrift, waarvan de auteur in zijn verantwoording ook nog God bedankte, omdat Hij de experimentele groep had geholpen. En dit was dus níet als grapje bedoeld. Ik zou haast zeggen: dan ben je toch wel van God los. Want God is in deze opvatting een interveniërende variabele geworden die jij in jouw experiment kan besturen. De mooiste reactie kwam van iemand uit Leiden, die in een ingezonden brief schreef: `Dat was God niet, dat was ik. Ik ben namelijk bezig met telepathische experimenten, waardoor ik die effecten heb veroorzaakt. Dat ze zo klein zijn, komt doordat het m'n eerste transatlantische telepathische experiment was.' Het aardige van dit stukje vond ik vooral dat er geen speld is tussen te krijgen.''

Als u zich moet indelen op de schaal gelovig/ongelovig, waar staat u zelf dan?

``Tja. Kijk, ik ben altijd met veel plezier katholiek geweest en dat ben ik nog. Ik zet er wel heel veel vraagtekens bij. Ik heb bijvoorbeeld grote bezwaren tegen het pauselijk systeem. Maar toch, buiten die wereld kan ik niet. Daarbij heb ik natuurlijk wèl het vermoeden dat ik opvattingen heb die door anderen nou niet bepaald katholiek zullen worden gevonden.''

Zoals poneren dat God biologisch is verankerd, omdat u daarmee in feite zegt dat God in werkelijkheid niet bestaat?

``Nogmaals, als psycholoog doe ik geen uitspraken over wat ik waar acht en niet. Ik houd me uitsluitend bezig met de vraag hóe en waarom mensen in God geloven. Of datgene waarin ze geloven bestaat, is voor mij niet relevant.''