Provinciaals Europa

In het oude hart van het nieuwe Europa is de burger op drift. Ruim tien jaar nadat de deling tussen Oost en West ongedaan werd gemaakt en werd begonnen met de opbouw van een open en democratische ruimte van Lissabon tot Lviv, heeft de kiezer zijn automatische vertrouwen in dit ideaal opgezegd.

Hoewel er grote verschillen zijn in programma's en stijl van de politieke winnaars van afgelopen tijd – variërend van onversneden xenofoob tot nationaal liberaal, van antikapitalistisch tot marktradicalistisch, van cultureel benepen tot extravagant – zijn er gemene delers tussen Haider in Oostenrijk, Berlusconi, Fini en Bossi in Italië, Kjaersgaard in Denemarken, De Winter in Vlaanderen, Le Pen in Frankrijk, Hagen in Noorwegen en Fortuyn in Nederland.

Ten eerste hebben ze bij verkiezingen afgelopen jaren tussen een achtste en een kwart van de stemmen gehaald door te tamboereren op de noodzaak de immigratie af te remmen ter wille van de nationale culturele normen. Ten tweede hebben ze allen een broertje dood aan hun Europese omgeving. De EU zien ze in het gunstigste geval als een politiek onvermijdelijk, maar bureaucratisch kwaad. De hardere stromingen wijzen haar zelfs regelrecht af. In de landen waar hun partijen meeregeren (Oostenrijk, Italië en Nederland) of een minderheidsregering gedogen (Noorwegen en Denemarken), keert de politiek dus naar binnen. Het extraverte kosmopolitisme, na 1989/1991 omarmd als de weg naar een nieuwe wereldorde, heeft plaats gemaakt voor introverte oriëntaties.

Ook in Nederland. Het Europese uitgangspunt van het kabinet-Balkenende is ronduit mager. Nadat de coalitiepartners zich in het Strategisch Akkoord hebben bekend tot de gemeenschappelijke maar overigens niet nader gespecificeerde culturele waarden waarop Europa rust, gaat de deur dicht. ,,De EU dient dan ook open te staan voor andere Europese landen, maar toetreding mag niet leiden tot verwatering van haar fundament.'' Met de beste wil van de wereld zijn deze teksten niet als strategisch te kwalificeren. Het is zelfs denkbaar dat ze met boze opzet ondoordacht en tegenstrijdig zijn geformuleerd. De regering opteert wellicht voor een poging tot het beste van twee werelden: wel de lusten van een cordon sanitaire in het oosten, maar niet de lasten.

In hoeverre is dit premier Balkenende en zijn bondgenoten euvel te duiden? Intellectueel zeker, maar politiek in beperkte mate. De coalitie is niet het product van nieuwe ideeën, maar van verkiezingen die hebben afgerekend met de al oude keerzijde van de jaren negentig. Toen de Muur in 1989 viel, leek dat het einde van de klassieke politiek. Nu zou de economie het volle pond krijgen. Ook de staat moest succes gaan stimuleren en falen sanctioneren. Het trage Rijnlandse model, waarin consensus belangrijker was dan tempo, werd overvleugeld door het dynamische Angelsaksische model. Deregulering en liberalisering bleven niet alleen trefwoorden, maar werden realiteit. Medio jaren negentig stelde een mondiale organisatie van bankiers al vast dat het internationale kapitaalverkeer sinds de vooravond van de Eerste Wereldoorlog niet meer zo vrij had kunnen bewegen. Ze waren daarover niet louter optimistisch gestemd en werden misschien daarom amper gehoord. Nu weten we dat derivatenspeculant Leeson bij Barings (1995) niet uniek was, maar de voorbode van een bredere graaicultuur in financiële kringen.

Nederland was geen uitzondering. Weliswaar bleef het onderworpen aan de mitigerende werking van het verzuilde bestuursstelsel, ook in de polder werd de politiek terzijde geschoven als een anachronisme. Veel politici zelf droegen hun steentje bij. De infrastructurele `hardware' (van treinen tot kabelnetwerken) werd afgestoten, omdat het beheer ervan op afstand beter zou zijn gewaarborgd. Een deel van de inhoudelijke `software' (onderwijs) werd eveneens op afstand geplaatst.

Hoewel de banenmachine op gang kwam, sloten de burgers deze nieuwe wereld niet in hun hart. Ook dat was voorspeld. Bijvoorbeeld door de Britse politicoloog John Gray, die waarschuwde dat de globale revolutie de lokale instituties zou wegspoelen en de burger zou beroven van zijn vertrouwde beschermingslinies tegen de boze buitenwereld. En door VVD-leider Bolkestein die in 1994 pleitte voor een vleugje christendom in het beginselprogramma van zijn partij.

De liberalen van Bolkestein zijn hardhandig op hun nummer gezet. Hun antwoord is niettemin simpel: nog meer liberalisering. De sociaal-democraten hangen helemaal in de touwen. Dat hebben ze aan zichzelf te wijten. Hun `derde weg' was geen dwingend concept voor de emancipatie van nieuwkomers, maar een halfbakken poging de scherpste randjes van het invididualisme te slijpen. Kortom, electorale marketing, dus vluchtig. Als bondskanselier Schröder in september de verkiezingen niet wint, symboliseert hij het lot van de Europese sociaal-democratie die zich in vier jaar grotendeels heeft laten uitspelen.

Dat is niet alleen voor sociaal-democraten een reden tot zorg. Het raakt ook de andere internationaal georiënteerde politieke stromingen. Het Europese idee immers wordt geschraagd door de Verlichting in de ruime zin van het woord: door `vrijheid, gelijkheid, broederschap'. Over de specifieke inhoud en de hiërarchie wordt van mening verschild. Maar het Europese project is een erkenning van deze waarden. Ze worden niet toevallig gekwalificeerd als universeel en toegankelijk voor iedereen.

De werkelijkheid is uiteraard weerbarstiger. Oude migranten zien nieuwe niet graag komen. Bureaucraten dienen alleen de buren op de vingers te tikken. Leraren moeten eerst de eigen kinderen vooruit helpen. In de file veroorzaken de andere automobilisten de opstoppingen. En wat bij jezelf een misstap is, is bij de ander criminaliteit die cultuurgebonden is. Dit algemeen menselijke patroon begint zich nu politiek uit te kristalliseren. Een paradigmawisseling ligt in het verschiet. Bij partijen à la Fortuyn is een aantal kenmerken zichtbaar: een combinatie van egocentrisme en provincialisme. Zolang het een reactie blijft op de keerzijde van de jaren negentig, is er geen reden tot alarm. Maar het betekent wel dat de andere stromingen ervoor moeten waken dat dit particularisme niet doorsijpelt. De principiële openheid die bij Europa hoort, mag niet het onderspit delven.

Ook het kabinet-Balkenende zal dus moeten waken voor intellectuele luiheid of politieke opportunisme. Balkenende dient de brink snel achter zich te laten. Want als er één land is dat een grensoverschrijdend nationaal belang heeft, dan is het Nederland. De kaart van Nederland ligt in heel Europa.