Plankgas voor een pakje Marlboro

De auto is in het nationale bewustzijn van Duitsland verankerd. De Duisters vonden hem ook uit. Maar carpoolen komt er niet van de grond.

's Avonds draaien ze hun rondjes. Bijna altijd zijn ze zwart, hebben ze één wat oudere inzittende met een lichtarrogant voorkomen en glimmen ze alsof ze net uit een toonzaal zijn ontvreemd. In de zomer verlenen de peperdure two-seaters als de Porsche Boxster en de BMW Z8 Berlijns betere wijken een vleugje mediterrane allure. Een beetje spel, een beetje show, alles omwille van het andere geslacht.

Ook niet-Porsche-rijders vinden dat een normaal verschijnsel. Als ik Klaus, vader van drie kinderen en in het bezit van een charmante oude Volvo, bericht dat ik weer eens twee roadsters heb gespot, word ik met een meewarige blik terechtgewezen voor mijn provincialisme. Ik moet maar eens in München gaan kijken, adviseert hij, daar bewegen de Porsches zich in roedels.

In de traditionele Duitse waardencanon, heet het, komt de auto vlak voor of vlak na de echtgenote. Meestal ervoor. Dat geldt zeker voor de oudere jongens die met een motorvermogen afgestemd op de Hockenheimring op de hoek een pakje Marlboro halen.

Duitsland is niet los te denken van de auto. Er zijn vijftig miljoen auto's op tachtig miljoen inwoners. De auto werd er uitgevonden, de auto-industrie is nationale trots en economische steunbeer zonder weerga. De Formule 1-broertjes Schumacher genieten sterstatus, de hoogste baas draaft op als er weer eens een nieuwe fabriek wordt geopend. In een willekeurig gekozen week kondigde de tv-gids 26 autoprogramma's aan, de nachtuitzending van Eurosport meegerekend. Carpoolen komt er maar niet van de grond. Dat vindt men zoiets als alcoholvrij bier: het lijkt bier, maar het blijft thee. Als de linden het Berlijnse wagenpark in de zomer besproeien met een akelig kleverige substantie, verloot een radiostation gratis wasbeurten.

Hoe vast de auto nog steeds in het nationale bewustzijn is verankerd bewees de schrijver Florian Illies twee jaar geleden toen hij het levensgevoel van een hele generatie koppelde aan de opkomst van één enkel populair model, Generation Golf. Het gaat om de lichting geboren tussen 1965 en 1975, die in de jaren negentig oud genoeg was om zelf achter het stuur te kruipen. Een narcistische generatie met een kien oog voor merkartikelen.

De hoofdstuktitels ontleende Illies aan de reclamecampagnes waarmee Volkswagen de opkomst van de Golf begeleidde. ,,Lekker puh, wij hebben meer Golf dan jullie', heet het hoofdstuk waarin Illies het einde van de bescheidenheid, wezenskenmerk van zijn generatie, bezingt. Het boek werd een bestseller. De Golf verwierf daarmee iets van de cultstatus die ook voor de Kever, de Opel Kadett en de Trabant is weggelegd.

De fabrikanten doen er alles aan de auto op zijn culturele voetstuk te houden. Terwijl in Parijs de modehuizen de grote boulevards bewonen, hebben in Berlijn automerken de duurste locaties in bezit. Vooral de kruising Friedrichstrasse/Unter den Linden in Mitte heeft een hoge concentratie toonzalen. Een wandeling langs Volkswagen, Opel, Peugeot, Audi en Mini leert dat alle auto's weliswaar vier wielen hebben, maar voor het overige in niets op elkaar mogen lijken. In de Konzernrepräsentanz van Opel, een steriele auto-galerie waar je corporate identity kunt inademen, mag Arthur Schopenhauer nog eens onderstrepen hoe belangrijk de auto is voor de individuele expressie: ,,In dezelfde omgeving leeft toch iedereen in een andere wereld.' De jongens met hun zwarte Porsches hoef je over filosofie niets meer wijs te maken.

In het Automobilforum van Volkswagen – 4 verdiepingen, 8 merken, 1 crèche en een expositie van videokunstenaars – waakt hostess Brennecke over de afdeling Nutzfahrzeugen. Het is niet de bedoeling dat ze de auto's ook verkoopt, zegt ze. ,,Dat stelt bezoekers op hun gemak.' Het is slechts de bedoeling dat de bezoeker een goed gevoel overhoudt aan het merk Volkswagen.

Volgens haar is de auto nog steeds ,,des Deutschen liebstes Ding', maar de verering is toch aan erosie onderhevig. ,,Natuurlijk komen hier freaks die AutoBild spellen, maar er zijn ook steeds meer mensen die een auto zien als een transportmiddel, normale mensen.' Brennecke is niet voor niets bij de bedrijfsauto's en de kampeerbusjes beland.

Ook heeft ze geconstateerd dat Duitsers auto's niet meer blindelings vertrouwen omdat er `made in Germany' opstaat. ,,Men kijkt tegenwoordig heel goed wat Peugeot doet.' Lang vervlogen is volgens haar ook de tijd dat Duitse mannen op zaterdagochtend massaal naar de spons grepen voor de wekelijkse wasbeurt van hun liefste bezit. Het fenomeen is mede om zeep geholpen door de milieuwetgeving die autowassers naar een erkende wasplaats verwijst.

Er zijn nog twee automythes die nuancering behoeven. Het klopt niet helemaal dat men op de Duitse snelweg naar hartelust mag raggen. Er is weliswaar geen landelijke snelheidslimiet, maar op onveilige trajecten geldt een maximum van 120 of lager. En daar zijn er teleurstellend veel van. En hoe men ook denkt over Illies hedonistische generatie, ze verdient in elk geval krediet omdat ze de Duitse auto heeft verlost van twee wezenskenmerken: de Generation Golf rijdt niet met een gehaakt hoedje op de hoedenplank en een hond met waggelend kopje op het dashboard. Ze zou zich doodschamen.

De drie eerdere delen van deze serie verschenen op 8, 17 en 27 juli; ze zijn na te lezen op www.nrc.nl