Over wilde voorspellingen

36.000 punten, zo hoog zou de Dow-Jonesindex eigenlijk moeten staan, betoogde een van de meest spraakmakende beleggersboeken in 1999. Het liep anders. Aandelen zijn en blijven een risicovolle belegging.

Zó hadden zij het helemaal niet bedoeld, de auteurs van het boek Dow 36.000, dat in het najaar van 1999 verscheen. Kevin Hassett en James Glassman verdedigden gisteren op de opiniepagina van de Wall Street Journal de centrale these van hun boek, dat bijna drie jaar na publicatie een nogal wrange nasmaak heeft gekregen. Nee, het was geen voorspelling geweest, stellen de auteurs nu over het getal 36.000, maar slechts een calculatiewijze.

In het kielzog van het boek, verschenen er omstreeks die tijd nog wildere versies. Dow 40,000 bijvoorbeeld, geschreven door David Elias. En, welja, Dow 100,000 door onder meer van Ralph Acampora.

Hassett – die van de 36.000 – werd eind vorig jaar in Business Week, het Amerikaanse zakenblad, geconfronteerd met de suggestie van hem en zijn medeauteur dat het drie tot vijf jaar zou duren tot de Dow die waarde zou bereiken. Het weerwoord van Hassett was dat het geen `harde' prognose was geweest, maar een veronderstelling op basis van de ontwikkelingen van de afgelopen drie tot vijf jaar.

Feit blijft dat er veel particulieren destijds geënthousiasmeerd zijn door het boek – en zeker door de titel. Bij een Dow Jones-index die twee jaar geleden piekte tegen de 12.000 punten maar deze week sloot op 8.313 punten, zitten ze op de blaren.

Hoe kwamen Hassett en Glassman destijds ook alweer op hun cijfer van 36.000? In de kritische besprekingen van het boek, waaronder die van de econoom R. Aggerwal van het Amerikaanse Dartmouth College, was de dwaling al terug te vinden.

De these van Glassman en Hassett is dat de huidige, contante waarde van de toekomstige kasstroom van de beursgenoteerde ondernemingen die de Dow Jones uitmaken, veel groter is dan de beurswaarde van die ondernemingen die tot uitdrukking komt in de Dow Jones-index. met andere woorden: om de werkelijke waarde van de kasstroom te weerspiegelen, zou de Dow Jones-index moeten stijgen tot 36.000 punten.

De reden waarom de index nog niet op die waarde was beland – maar daar zeker op termijn terecht zou komen – ligt in de manier waarop de toekomstige kasstroom contant wordt gemaakt. De kasstroom van dit jaar heeft de waarde van de kasstroom van dit jaar. Maar de kasstroom van volgend jaar moet worden verrekend met een bepaalde rentevoet. Wie nu 100 euro koopt die pas volgend jaar worden geleverd, zal daar op dit moment bijvoorbeeld maar 95 euro voor over hebben. Er had tenslotte ook vijf procent rente kunnen worden ontvangen op het bedrag dat is uitgegeven.

Een stroom van inkomsten over een aantal jaren in de toekomst moet dus worden verdisconteerd met een rentevoet. De stelling van Hassett en Glassman was in feite simpel. De gehanteerde rentevoet moest veel lager zijn dan in de praktijk het geval was. Dat heeft reusachtige gevolgen. Bij een toegepaste rentevoet van 12 procent (en een groei van de kasstroom in lijn met de groei van de economie), zo rekende criticus Aggerwal destijds voor, zou de Dow, op basis van de gewogen kasstroom van de aandelen die in de index zijn opgenomen, in 1999 5.143 waard zijn. Maar bij een toegepaste rentevoet van maar 6 procent zou de Dow 36.000 waard zijn. Voilá.

Maar wat veroorzaakt dan die daling van de toegepaste rentevoet die een Dow van 36.000 mogelijk maakt? Dat komt – zo stellen Hassett en Glassmann in grote lijnen nog steeds – door de misvatting van beleggers dat aandelen riskanter zijn dan obligaties. Als zij er eenmaal achter komen dat dit niet het geval is, zullen zij de `risicovrije' opbrengst op obligaties – dat is die 6 procent – als maatstaf nemen voor aandelenbeleggingen.

Nu zijn we inmiddels een jaar of drie verder, en zijn betogen dat het risico uit aandelenbeleggingen verdwijnt potsierlijk.

Bovendien zal, om de risicopremie uit de aandelenmarkten te laten verdwijnen, iederéén op de markt zich moeten gaan gedragen alsof het risico op aandelen verdwenen is. En dat is misschien wat veel gevraagd de laatste tijd.

Vraag maar eens aan een belegger in Aegon, waar dagelijkse koersfluctuaties van 6 procent tot 10 procent de laatste weken geen uitzondering zijn. Een lezer op de site van Amazon.com maakte al korte metten met de wilde Dow-literatuur. ,,Ik geloof niet per se in boekverbrandingen'', schrijft hij in een bespreking van Dow 100,000, ,,maar als ik dit boek op een brandstapel zag liggen zou ik me niet haasten om het van de vlammen te redden.''

100.000 is wel erg ver weg, maar die 36.000 zal de Dow Jones-index heus wel eens halen. Maar niet snel. Stel dat de index een onvoorstelbaar mooie 9 procent per jaar stijgt. Dan wordt de 36.000 in het jaar 2019 overschreden. Het is dan wel te hopen dat een andere tot de verbeelding sprekende voorspelling niet uitkomt. Want als die meteoriet inderdaad in 2019 op aarde inslaat, is het belegginsresultaat niet het enige dat verdampt.