Onpartijdigheid rechter vrijwel altijd buiten kijf

De LPF-fractie in de Tweede Kamer vindt dat rechter Vermolen zich terug moet trekken uit het proces tegen de verdachte van de moord op Fortuyn.

Voorop dient te staan dat een rechter, uit hoofde van zijn aanstelling, moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Alleen wanneer zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen, mag aan die onpartijdigheid worden getwijfeld. Deze omstandigheden moeten zwaarwegende aanwijzingen opleveren dat een rechter jegens een verdachte een vooringenomendheid koestert. Of tenminste dat de vrees van de verdachte voor bevangenheid bij de rechter objectief gerechtvaardigd is.

Dit is de maatstaf van de Hoge Raad wanneer er bezwaar wordt gemaakt tegen het optreden van een bepaalde rechter in een concreet proces. Juridisch gezien is dit de meetlat waartegen de bezwaren van de LPF-fractie bij monde van het Kamerlid Hoogendijk tegen de samenstelling van de rechtbank die de moord op Pim Fortuyn gaat behandelen, moeten worden afgezet.

Zijn fractiegenoot Janssen van Raay laat overigens een ander geluid horen. Hij vraagt zich openlijk af waarmee Hoogendijk zich bemoeit. Het is een goed staatsrechtelijk gebruik dat Kamerleden zich niet uitspreken over concrete zaken die onder de rechter zijn. Ons land kent geen politieke justitie. Daarbij past om te beginnen niet de kritiek van Hoogendijk op de benoeming van rechter Vermolen, die voorheen actief is geweest bij Vluchtelingenwerk Nederland. Dat was bekend en is ongetwijfeld meegewogen bij de vraag of tot benoeming als rechter kon worden overgegaan. Daaraan komt een zware selectiecommissie te pas.

De samenstelling van de kamer die de strafzaak tegen Volkert van der G. behandelt is een zaak van de rechtbank, lees: het presidium van dit college. Dit gaat uit van de rechters die in de sector werkzaam zijn en de verschillende kamers van drie rechters die beschikbaar zijn. Er kan natuurlijk altijd wel wat met zaken worden geschoven. Maar het presidium zal zijn keuze intern moeten kunnen verantwoorden in termen van professionaliteit. De zenuwen binnen de rechterlijke macht zijn de laatste tijd toch al gespannen door invoering van het zogeheten integraal management. Sommige leden van de zittende magistratuur maken zich juist zorgen over de mogelijkheid van overplaatsing van ,,lastige'' rechters.

De proef op de som voor de onpartijdigheid van de rechter is zijn wraking als het proces begint. Dat is niet alleen een recht van de verdachte. Ook het openbaar ministerie, de aanklager, kan bezwaar maken tegen een zittingsrechter. Janssen van Raaij oppert dit over te laten aan de familie-Fortuyn, maar daar voorziet de wet niet in. Iets anders is dat rechter Vermolen zelf besluit zich terug te trekken, want dit staat een rechter altijd vrij. Al was het alleen omdat hij op een gegeven moment de schijn tegen zich heeft. Voorbeeld is de Britse Law Lord in de zaak-Pinochet die banden met Amnesty Internationaal bleek te hebben.

In Nederland is er de laatste jaren kritiek van een groep verontruste burgers over belangenverstrengeling in de rechtspraak. Daarbij gaat het echter vooral over de verbindingen tussen zakenbelangen en de rechterlijke macht via nevenfuncties van rechters, zoals commissariaten en functies in alternatieve geschillenbeslechting, en de belangrijke rol van advocaten als rechter-plaatsvervanger. Vragen zijn er ook bij rechters die oordelen over kwesties waarbij zij eerder als beleidsambtenaar betrokken waren.

Er is in heel Europa een toenemende gevoeligheid bij het publiek voor het ,,ons-kent-ons-circuit'' van de rechtpraak. Hoogendijk zoekt daar in de zaak-Fortuyn wellicht aansluiting bij. Maar de reëele problemen van het bewaren van rechterlijke afstandelijkheid zijn niet gediend met een ,,eredienst aan het altaar van de schijn'' - zoals een hoge Europese rechter het treffend uitdrukte.