Literair ramptoerisme

Twee schipbreukromans staan aan de basis van de Engelse romanschrijfkunst, constateert Pieter Steinz in deel 31 van zijn stoomcursus wereldliteratuur.

Begin augustus, hartje vakantie, een mooie tijd om ons te buigen over twee pioniers van de reisroman: Daniel Defoe (1660-1731) en Jonathan Swift (1667-1745). Niet dat deze literaire reuzen schreven over streken waar ze ooit geweest waren. De Londenaar Defoe, die als handelsman Europa had bereisd, verplaatste zich voor The Life and Strange Surprising Adventures of Robinson Crusoe in een zeeman op een verlaten Caraïbisch eiland. De Dubliner Swift, die nooit verder kwam dan de Britse eilanden, verzon voor Gulliver's Travels vier exotische bestemmingen om de Engelse maatschappij een spiegel voor te houden. Beiden oefenden met hun imaginaire reizen grote invloed uit op schrijvers na hen, maar Defoe was de origineelste: zijn in de ikvorm geschreven verslag van een schipbreukeling verscheen zeven jaar vóór Swifts satire en wordt zelfs beschouwd als de eerste Engelse roman.

Defoe's model voor Robinson Crusoe was de Schotse zeeman Alexander Selkirk, die zich in 1704 na een ruzie met zijn kapitein had laten afzetten op een onbewoond eiland in de Stille Zuidzee, om daar vier jaar in eenzaamheid door te brengen. Crusoe is nog heroïscher: hij bezet zijn eiland 28 jaar, 2 maanden en 19 dagen, en slaagt erin om geholpen door een handvol juttersgoed en een flinke dosis ondernemingsgeest de wildernis te veranderen in een paradijselijke kolonie. Daarover wilde de opkomende middenklasse, die het grootste deel van het achttiende-eeuwse lezerspubliek vormde, graag lezen. De broodschrijver Defoe (560 titels op zijn naam!) gaf de boekkopers wat ze wilden; binnen vijf jaar na Robinson Crusoe publiceerde hij nog een half dozijn romans over premoderne kapitalisten, waarvan Moll Flanders (over de Happy Hooker van de achttiende eeuw) de bekendste is.

Robinson Crusoe was een van de eerste romanfiguren met wie de lezer zich kon identificeren; al was het maar omdat hij in de vorm van dagboekaantekeningen schreef over zijn twijfels en angsten (bijvoorbeeld wanneer hij de aanwezigheid van zijn latere hulpje Vrijdag op het eiland ontdekt). Lemuel Gulliver, de schipbreukeling uit Swifts Gulliver's Travels, is minder `gewoon', maar dat doet niets af aan het plezier dat zijn avonturen onder dwergen, reuzen, monomane wetenschappers en wijze paarden verschaffen. Zelfs de vetst aangezette grappen zijn na drie eeuwen niet gedateerd of het nu Gullivers optreden als brandweerman op Lilliput is of zijn beklimming van een reuzinnenborst op Brobdingnag.

De politieke satire in Gulliver's Travels is alleen ten volle te begrijpen door specialisten in achttiende-eeuwse geschiedenis. Gelukkig gaat het merendeel van Swifts vernietigende observaties over de mensheid in het algemeen (die er vooral in het vierde deel, over het land van de wijze Houyhnhnms, van langs krijgt). Bovendien is Swifts navolging van de antieke wonderreizen ook goed te lezen als avonturenroman; de eerste twee delen zijn als kinderboek al eeuwen lang een onverbiddelijke bestseller. Dat laatste heeft Gulliver's Travels dan weer gemeen met Robinson Crusoe, en ook met andere hoogtepunten uit de volwassen wereldliteratuur als De drie musketiers, Oliver Twist en A Connecticut Yankee in King Arthur's Court, een inktzwarte satire van de Amerikaanse Swift-bewonderaar Mark Twain.

Volgende week: `Die Leiden des jungen Werthers' van Goethe.

Pieter Steinz: ps@nrc.nl