Liever grondrechten dan gelofte van trouw

Het voorstel van J.W.Sap om in Nederland een gelofte van trouw in te voeren naar Amerikaans voorbeeld maakt geen kans. Dat laat onverlet dat democratie niet goed kan functioneren zonder morele consensus. Waar die ontbreekt dreigt het gevaar dat de meerderheid wezenlijke rechten van de minderheid aantast, meent A.Th. van Deursen.

Nederlanders zijn geen volk van rituelen. Wij staan niet graag in de houding met opgeheven hand, en weten ons al helemaal geen raad als we dan ook nog samen een plechtige formule moeten opzeggen. Dat kunnen we elkaar maar beter niet aandoen, en daarom zie ik niet veel in plannen elke schooldag te laten beginnen met een gelofte van trouw aan de Nederlandse vlag, zoals Jan Willem Sap op donderdag 4 juli in deze krant heeft voorgesteld onder de kop `Gelofte van trouw is ook iets voor Nederland.'

De gedachte op zichzelf is echter niet ongerijmd. Democratie moet meer zijn dan enkel beslissen bij meerderheid van stemmen. Dat is slechts de formele kant. Maar een democratisch besluit moet ook zedelijk verantwoord zijn. Dat is de materiële zijde van de democratie. De Amerikaanse gelofte drukt uit met de woorden: één natie onder God, ondeelbaar, met vrijheid en gerechtigheid voor allen. Daarmee is een grens getrokken. Een wet die aan deze voorwaarden niet voldoet, is met de democratie in strijd, al zou ze met algemene stemmen worden aangenomen. Een wet die een bepaalde groep mensen hun vrijheid juist ontneemt of gerechtigheid niet toedeelt aan allen, doch slechts aan een meerderheid, is naar haar aard onzedelijk en ondemocratisch.

Sap werpt dus een belangrijke vraag op. Het is niet alleen wenselijk maar zelfs noodzakelijk dat we het met elkaar eens zijn over de fundamentele waarden waarop onze democratie steunt. Democratie kan niet goed functioneren zonder morele consensus. Waar die ontbreekt, rijst snel het gevaar dat de meerderheid wezenlijke rechten van de minderheid zal aantasten, misschien zonder dat ze het zelf beseft. Dat is een tamelijk ernstig probleem, waarvan we ons te weinig bewust zijn. Saps voorstel is bijzonder geschikt om het boven tafel te brengen. Hij wil namelijk ook voor Nederland een gelofte in dezelfde geest als de Amerikaanse, met de woorden `een natie onder God', of een zinsnede van gelijke strekking.

Een dergelijke formule maakt geen enkele kans, en Sap weet dat natuurlijk. Ik denk dat het van zijn kant een opzettelijke provocatie is om het probleem scherp te stellen, want dat ligt precies in het gebruik van Gods naam. Voor sommige Nederlanders is verwijzing naar God de enige manier om de hoogste waarden te benoemen. Voor anderen is een dergelijke vermelding in een seculiere samenleving zonder meer misplaatst. Deze tweede groep heeft onder paars duidelijk de boventoon gevoerd en de wetgeving haar speciale kleur gegeven.

Dat is vanzelfsprekend haar goed recht, en tot op zekere hoogte zelfs haar plicht. Een parlement dat de wil van de meerderheid wel kent maar niet volgt, zet de democratie onder spanning. Respect voor de meerderheidswil vloeit direct voort uit de formele grondregel van de democratie. De materiële grondregel kan haar dan echter wel beperkingen opleggen. Dat bewustzijn heeft onder paars te veel ontbroken, en het heeft ook nu nog niet de plaats herkregen die het verdient.

Een interessant voorbeeld was de recente stemming in de Tweede Kamer over de vraag of, na de invoering van het homohuwelijk, nog ruimte bestaat voor ambtenaren van de burgerlijke stand zich te verontschuldigen op grond van gewetensbezwaren. In haar nieuwe samenstelling bleek de Kamer nog altijd paars genoeg om die mogelijkheid te ontkennen. Ik kan niet geloven dat deze Kamerleden de vrijheid van geweten willen afschaffen. Dat zou niet alleen ingaan tegen een eeuwenoude Nederlandse traditie, maar ook tegen een internationaal erkend grondrecht, dat bovendien in onze eigen constitutie uitdrukkelijk wordt gewaarborgd.

De afwijzing is alleen begrijpelijk als we aannemen dat de meerderheid hier helemaal geen gewetensvraag ziet. Dat betekent dat volgens haar in de publieke sfeer geen plaats kan zijn voor een beroep op Gods geboden. Godsdienst beïnvloedt uitsluitend de privé-sfeer. Ter vergelijking: de regels die ons binden in de familiekring, gelden niet voor het openbare leven. Een gezinslid kan zich zedelijk verplicht rekenen bepaalde dingen te doen of te laten omdat zijn ouders het hem zo hebben voorgehouden. Maar als ambtenaar, als verkeersdeelnemer, als staatsburger mag hij zich niet tegen de wet in op die vrijwillig aangegane verplichtingen beroepen. Zo is het in de `paarse' democratie ook met de godsdienst gesteld. Religieuze voorschriften en geboden zijn slechts interne groepsafspraken, die geen externe werking hebben.

Vrijheid van godsdienst heeft in die wijze van denken alleen betekenis voor de huiskamer, en dat wil zeggen dat ze in feite wordt opgeheven. Je mag er een godsdienst op na houden, mits niemand er iets van merkt. In het openbaar moet je meewerken aan alles wat God verboden heeft. Geen redelijk mens zou dat vrijheid van godsdienst noemen, als hij het vraagstuk in alle rust en objectiviteit bekeek.

Dat lijkt mij het belang van Saps benadering. Een zo oude en invloedrijke democratie als de Amerikaanse verwijst voor de fundering van haar bestel elke dag op duizenden plaatsen tegelijk naar Gods naam. Ook als wij die gelofte niet invoeren kan ze ons eraan herinneren dat grondrechten als vrijheid van godsdienst en geweten niet afhankelijk mogen zijn van een meerderheidsgril. Een eis van materiële democratie kan niet door de helft plus één terzijde geschoven worden.

Prof.dr. A.Th. van Deursen is emeritus hoogleraar Nieuwe Geschiedenis aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Dit is deel 2 van een serie. Het eerste deel is verschenen op 4 juli, en is te lezen op www.nrc.nl/opinie.