KLAPEKSTER ALS BROEDVOGEL UIT NEDERLAND VERDWENEN

De klapekster broedt niet meer in ons land. Het laatste paartje nestelde in 1999 op de Noordwest-Veluwe. Daarna zijn er volgens de Stichting Vogelonderzoek Nederland (Sovon) geen broedgevallen meer waargenomen. Daarmee is Nederland weer een broedvogel armer.

Wèl wordt de klapekster (Lanius excubitor) hier nog als wintergast gezien, vooral op heidevelden in het oosten en het zuiden. Daar zit hij graag bovenin een boom of struik en kijkt als een veldwachter spiedend rond, op zoek naar prooi.

Aan zijn helderwitte borst kun je de klapekster van verre herkennen. Hij lijkt wel wat op een ekster, maar hij hoort tot de familie van de klauwieren. Het is een forse vogel, grijs, met zwart en wit, met korte, brede, afgeronde vleugels en een lange staart. Hij heeft een krachtige snavel met haakvormige punt en een schelle, rauwe roep sjek-sjek. Op zijn menu staan insecten, kikkers, hagedissen, muizen en kleine vogels, die soms in de lucht worden gegrepen. Hij pakt zijn prooien beet en spietst ze, vaak nog levend, aan stekels en doornen van struiken als voedselvoorraad. Dat heeft hem de bijnaam de roofwurger opgeleverd.

Begin 20ste eeuw broedden er nog honderden paren klapeksters in stekelige bosjes op de hei en in het hoogveen. Maar vanaf de jaren twintig hebben ze veel terrein verloren door ontginning en bebossing van de woeste gronden. De laatste decennia hebben ze het steeds moeilijker gekregen. Door de vergrassing van de heide zijn er steeds minder grote insecten en veldmuizen te vinden. Bovendien zijn klapeksters in de broedtijd, anders dan in de wintermaanden, bijzonder schuw en dat maakt ze gevoelig voor verstoring door recreanten. Ze hebben een broedterritorium van tenminste een vierkante kilometer nodig. De kern van hun broedgebied ligt in Noord- en Noordoost-Europa. In de Scandinavische landen en in Europees Rusland komen ze nog vrij algemeen voor.

Na de klapekster staat ook het korhoen volgens de Sovon op het punt als broedvogel in Nederland uit te sterven. Dit voorjaar werden nog maar acht merendeels bejaarde hanen geteld. Ook voor het lot van de velduil – 30 broedparen in 2002 – wordt gevreesd.