Het pluizen van poep

Het `hybienet' is een net waarmee je `hybiet'. Het is een puntmutsvormig schepnet op een lange stok, dat je met korte rukjes door het water trekt. `Hybie' is een afkorting van hydrobiologie. `Hybieën' betekent dus niets anders dan waterbeestjes vangen. En een `sporee' maken, dat doe je door de hoed van een (bij voorkeur al geknakte) paddenstoel te snijden en deze een dag op een vel papier te laten liggen. De sporen zijn dan goed zichtbaar en te gebruiken voor de juiste determinatie (soortsbepaling) van de paddenstoel.

De Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie (NJN) heeft een eigen subcultuur van humor en taalgebruik, en daarvan is veel in het zojuist verschenen `Zelf de natuur in' terug te vinden. Het door (oud-)NJN-leden geschreven boek is een opvolger van het Basisnatuurboek, een uitgave die in 1995 door de NJN in eigen beheer werd opgesteld.

Het is een echt `doe-boek', waarin beschreven staat hoe je een studie van de natuur het beste aanpakt. De lezer krijgt nuttige tips voor het waarnemen, verzamelen en op naam brengen van soorten. Ook bevat het boek instructies voor het zelf maken van allerlei instrumenten, variërend van vangnetten tot aan een speciaal zuigapparaatje voor het vangen van kleine insecten – onder kopjes als `actief met hagedissen' en `pluizen van poep' (`Naast het herkennen van poep, is het ook leuk om te kijken wat de eigenaar nu precies heeft gegeten'). Daarnaast bevatten de hoofdstukken uitstapjes als een recept voor bramenjam of vlierbloesemlimonade, temidden van beschrijvingen van plantensoorten.

De eerste vijftig pagina's van het boek bieden de jonge lezer vooral theoretische achtergrondinformatie over natuurstudie. Het is wat saaiïge, droge kost die beter achterin een plaats had kunnen krijgen. De auteurs leggen er uit hoe de biologie is ontstaan, hoe de biologische soorten systematisch worden ingedeeld en hoe de verschillende landschappen in Nederland zijn ontstaan. Het is een noodzakelijk kwaad om toch een fundament onder de natuurwaarnemingen te kunnen leggen. Op bladzijde 55 begint dan eindelijk het echte werk – Zelf de natuur in! – met de praktische informatie waar een amateur-veldbioloog behoefte aan heeft.

Het inventarisatiewerk dat natuurenthousiasten in hun vrij tijd verrichten moet niet worden onderschat. Zij leveren de overheid en natuurbeherende instanties een schat aan informatie over de Nederlandse natuur. Ook de jongeren van de NJN dragen daaraan hun steentje bij, door elkaar tijdens excursies en studiekampen te leren hoe zij observaties in de natuur moeten doen.

`Zelf de natuur in' dat de statuur heeft om het lijfboek te worden van iedere NJN-er, is vormgegeven als een echte veldgids met een kleurenindicator waarmee de verschillende hoofdstukken snel te vinden zijn. En achterop is een handig lineaaltje afgedrukt waarmee dingen tot twintig centimeter gemeten kunnen worden. Maar zijn gewicht van één kilo en dertien gram maakt het boek toch niet ideaal om mee de natuur in te nemen.

De indeling van het boek is vooral gericht op de praktijk in het veld en volgt daardoor niet precies de biologische conventies. Spinnen en pissebedden zijn zo geschaard onder het kopje `insecten'. Weliswaar vermeld de tekst duidelijk dat spinnen geen insecten zijn en dat pissebedden tot de kreeftachtigen behoren, maar toch bestaat het gevaar dat dit de argeloze lezer op het verkeerde been zet. Dit kan het algemene misverstand levend houden dat alles wat klein is en krioelt met kleine pootjes insect mag heten. Daarentegen zijn de waterkevers en waterwantsen juist weer niet te vinden bij de insecten, maar bevinden zij zich onder het kopje zoetwaterdieren.

Nog gekker is dat de uilen bij de zoogdieren staan. Dat blijkt toch ook wel weer begrijpelijk, want waarom zijn uilen interessant: vanwege de braakballen die ze achterlaten. En wat zie je als je de braakballen uitpluist? Juist, allerlei botjes van zoogdieren, met name muizen. Een uitgebreide muizenkaakjestabel stelt de onervaren braakballenpluizer in staat om precies te achterhalen welke diersoorten de roofvogel heeft gegeten.

Het boek behandelt alle belangrijke dier- en plantengroepen die de veldbioloog in Nederland kan tegenkomen. Door die brede opzet kan dat onmogelijk uitvoerig gebeuren. De ruimte ontbrak bijvoorbeeld om van elke genoemde soort een afbeelding op te nemen.

Hoewel het boek in een aantrekkelijke en toegankelijke stijl is geschreven, ontbreekt het hier een daar nog wat aan een zorgvuldige eindredactie. Zo zijn de bijschriften niet altijd even consequent. Soms geeft het boek alleen de Nederlandse naam, soms alleen de Latijnse naam van een soort, terwijl in veel gevallen ook de andere naam bekend is. Heel af en toe gaat het echt fout, zoals bij een teklening van de waterpieptor. Het onderschrift luidt `Hygrobia Latreille', maar waar Hygrobia inderdaad de correcte genusnaam is voor deze watertor, slaat de naam Latreille op de Fransman die het genus in 1804 beschreef.

Het boek is vooral een smaakmakertje. Van elke groep organismen zijn alleen de belangrijkste en meest algemene soorten weergegeven met een korte beschrijving. Voldoende voor een eerste kennismaking en om enthousiast te worden van wat er allemaal in de Nederlandse natuur te ontdekken valt. Maar degene die zich echt in de studie van vogels, planten, insecten, paddenstoelen etc. wil verdiepen, zal al gauw op zoek gaan naar gespecialiseerde determinatiegidsen. Dat beseffen de auteurs van het basisboek ook en daarom geven zij achterin een uitgebreide literatuurlijst met aanbevolen boeken, voornamelijk Nederlandstalig. Bij ieder boek staat kort vermeld wat er wel en niet in te vinden is.

Tenslotte krijgt de lezer nog een lijst met nuttige adressen van natuurstudieverenigingen voorgeschoteld. De auteurs zijn zelf oud-NJN'ers. Het aardige is dat het basisboek een overzicht geeft van wat de jonge bioloog in Nederland in het veld kan tegenkomen. Dit vaak in tegenstelling tot gespecialiseerde veldgidsen die veelal zijn vertaald en daardoor niet specifiek de Nederlandse soorten bevatten.

zelf de natuur in. basisboek voor veldbiologie in Nederland. onder redactie van s. turnhout e.a., knnv uitgeverij, utrecht, 2002, www.knnvuitgeverij.nl, isbn 9050111564, prijs: €19,95