Een Amerikaanse aanval zonder precedent

Saddam Hussein is gevaarlijk en moet weg, volgens Bush' doctrine van de preventieve aanval. Critici moeten zich daarbij maar neerleggen, vindt Washington.

Een ordinaire familievete. Zo noemen cynici ,,het gedram'' van de Amerikaanse president George W. Bush om een aanval op Irak. Zoon Bush heeft nog een appeltje te schillen met de man die vader Bush meer dan een decennium geleden het leven zuur heeft gemaakt. Rationele argumenten tegen een aanval mogen dan niet baten. Bush is uit op bloedwraak en verdedigt de eer van zijn stamboom.

Het klinkt gechargeerd, maar in een week waarin de dreiging van een aanval op Irak opnieuw het thema van de dag is geworden, is de vraag waarom Saddam Hussein moet verdwijnen en de Verenigde Staten daarvoor het initiatief wensen te nemen weer actueel geworden. Vooral in Europa bestaat grote bezorgdheid over een unilateraal Amerikaans optreden, vooral omdat Bush c.s. over de gevolgen van zo'n aanval weinig inhoudelijke gedachten hebben geventileerd.

Wat die bezorgdheid versterkt, is dat ondanks kritische vragen er wel degelijk consensus in de VS bestaat dát de oorlog er moet komen. De vragen en de kritiek die de afgelopen week in Washington vielen te beluisteren, gingen vooral over de manier waarop en wanneer een aanval moet plaatshebben. De vraag óf een aanval op Irak wel noodzakelijk is, klonk zelden.

Logisch zegt Trent Lott, de leider van de Republikeinse minderheid in de Senaat, want ,,we weten dat leden van de terreurgroep Al-Qaeda zich in Irak bevinden''. Waarmee hij meteen een poging deed te verklaren waarom het geven van toestemming voor een aanval door het Amerikaanse Congres (de wens van veel Senatoren), laat staan een goedkeuring door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (de wens van Europese leiders) onnodig is. De VS mogen hun gang gaan met Irak, want, luidt de redenering, dat land is slechts één van de doelen in de strijd tegen het terrorisme. En voor die strijd heeft Washington al toestemming gehad van het Congres, de VN en de Europese Unie.

Maar bevindt Al-Qaeda zich wel in Irak? Verschillende specialisten menen van niet en het Witte Huis houdt zich angstvallig stil – terwijl het aandragen van bewijzen de Amerikaanse zaak juist van pas zou komen. Washington heeft herhaaldelijk gewezen op de aanwezigheid van massavernietigingswapens in Irak en de mogelijkheid dat Saddam, wiens nietsontziende, wrede natuur wel bewezen is, die wapens zou kunnen gebruiken tegen Amerika of zou kunnen verhandelen aan terroristen. Maar ook op dat punt heeft het Witte Huis geen bewijzen geleverd.

Midden-Oostendeskundigen en militaire specialisten die deze week zijn gehoord door de speciale Senaatscommissie voor Buitenlandse Betrekkingen waren eensluidend in hun oordeel over het potentiële gevaar dat Irak vormt. Khidhir Hamza, een overgelopen Iraakse functionaris die heeft deelgenomen aan het Iraakse kernwapenprogramma, zei overtuigd te zijn dat Saddam binnen drie jaar de beschikking heeft over een kernwapen. Andere experts spraken het vermoeden uit van de aanwezigheid van chemische en biologische wapens. Maar geen van de getuigen, zelfs niet Richard Butler, de voormalige chef-wapeninspectie van de VN, kon aantonen dat Irak massavernietigingswapens heeft geleverd aan niet-Iraakse terreurgroepen. ,,Ik denk dat Saddam, gezien zijn psychologische eigenschappen en aspiraties, zeer terughoudend is in het delen van wat hij beschouwt als de bron voor zijn macht'', zei Butler.

De uitgesproken voorstanders van een aanval op Irak, die zich concentreren rond de civiele leiding binnen het ministerie van Defensie, minister Donald Rumsfeld en onderminister Paul Wolfowitz, hebben geen bewijzen nodig. De weigering van Irak sinds 1998 VN-wapeninspecteurs toe te laten tot het land vinden zij alarmerend genoeg. Ook de plotselinge ommezwaai van Bagdad, dat twee dagen geleden, na vier jaar van onwil, aan VN-secretaris-generaal Kofi Annan liet weten alsnog over de komst van wapeninspecteurs te willen praten, laat Rumsfeld niet van de wijs brengen: Saddam is gevaarlijk en onbetrouwbaar en moet weg.

De voorstanders van een aanval op Irak zien zich ook gesterkt door het recht dat Washington zich sinds kort heeft voorbehouden op een pre-emptive strike, een preventieve aanval. De VS eigenen zich het recht toe op te treden tegen schurkenstaten wanneer zij van mening zijn dat die staten een potentieel gevaar voor Amerika en de wereldvrede vormen. Het voordeel van die doctrine – die wortelt in het psychologische klimaat van na de aanslagen op 11 september – is dat wanneer Washington meent gevaar te zien, concrete bewijzen niet langer nodig zijn. Een aanval op Irak kan op die manier Bagdad weerhouden iets te doen, waar het nog niet mee begonnen is, zonder dat bekend is waarom het gaat.

Zo'n aanval kent geen recente precedenten, zeggen de critici. Nooit eerder zou in de afgelopen twintig jaar een Westerse mogendheid een oorlog zijn begonnen zonder dat sprake was van een aantoonbare vorm van agressie. ,,De burgerambtenaren van het Pentagon staat een ongegronde aanval voor ogen – één waaraan geen daad van agressie is voorafgegaan'', schrijft Hugo Young in een kritisch stuk in de Britse krant The Guardian. ,,[Een aanval] van het ene soevereine land op het andere om af te rekenen met een leider die hen zorgen baart en tot woede stemt.''

Hoe veilig zal de wereld feitelijk zijn, stelt The Economist, wanneer de VS gewapend met de nieuwe preventieve aanvalsdoctrine van Bush overal ter wereld presidenten ten val brengen wiens gezichten hun niet aanstaan? Het Britse weekblad blad spreekt zich toch uit voor een aanval, omdat Saddam Hussein het te bont zou hebben gemaakt. De meeste Amerikaanse deskundigen en militaire experts doen dat ook, maar proberen Washington onderwijl te wijzen op de gevaren van een overhaaste aanval: onderschat de kracht van het Iraakse leger niet, voorkom een onacceptabel groot aantal slachtoffers, houdt rekening met de buurlanden in het Midden-Oosten, ondermijn de Afghaanse en Israëlische stabiliteit niet verder en let op de centen.

Dissidente stemmen zijn er weinig. Vrijwel iedereen heeft vertrouwen in het vermogen van de VS een oorlog met Irak te winnen. Alleen over de manier waarop Saddam moet worden aangepakt en hoe de wereld er uit ziet nadat hij is afgezet, blijven de meningen verdeeld. Of zoals een veteraan van de Amerikaanse militaire inlichtingendienst in de Amerikaanse krant The Christian Science Monitor zegt: ,,We kunnen oorlogen winnen, en ik ben ervan overtuigd dat er genoeg manieren zijn waarop we deze kunnen winnen, maar ons vermogen de vrede te winnen is armzalig aan het worden.''