De zin van de zijlijn

Je kunt respect hebben voor een man die het niet laat bij zijn tegendraadse commentaren, maar ten slotte de moed heeft om zelf politieke verantwoordelijkheid te nemen. Je kunt hem daarentegen ook voor de voeten werpen dat hij zich wel erg sterk door ijdelheid laat leiden. De reacties op het vertrek van Eduard Bomhoff als columnist bij deze krant bewegen zich tussen deze twee uitersten. Maar waar maken we ons druk om? Moed of ijdelheid, het klinkt als een moraalpreek uit de oude doos. Laat die man. Of zijn er andere bedenkingen?

Nu de nieuwe politiek regeert, heb ik inderdaad nog wel een vraag. Hoe dualistisch is dit eigenlijk allemaal? In deze tijd van postmoderne verleidingen kijken we kennelijk nergens meer van op. Als de vakbondsbestuurder genoeg heeft van zijn schamele loon, wordt hij zonder gewetensbezwaar ondernemer. Staat het lidmaatschap van het CDA een unieke carrièresprong in de weg, geen probleem, de oversteek naar de LPF is zo gemaakt. Vrijheid, blijheid, het zal allemaal wel, maar het staat haaks op het pleidooi voor heldere verantwoordelijkheden. Hoe geloofwaardig is een columnist die liever in het veld dan langs de zijlijn staat?

Kijken, schrijven en vooral niet meedoen, dat lijkt me de kern van het columnisme. De lezer verrassen met frisse analyses en bizarre wendingen. Hekelen, honen en voor mijn part een stevig potje schelden. Maar vooral: niet meedoen. Gerrit Komrij kon in zijn fameuze stukjes over de televisie o zo mooi schelden. Nooit had hij het echter in zijn hoofd moeten halen om het dan zelf maar eens op die vermaledijde treurbuis te proberen. Het werd een deerniswekkende vertoning.

Aan de zijlijn blijven dus. Het is waar,in het echte leven geldt dat als een teken van lafheid. Voor de columnist is het bittere noodzaak. Alleen vanaf de zijlijn kan hij immers de boude beweringen doen die nodig zijn om een halsstarrig publiek te overtuigen. Zoals: `Paars heeft louter puinhopen nagelaten'. Of: `De volksgezondheidsbegroting heeft een slordige 10 miljard extra nodig'. Geen literaire hoogstandjes, maar zowel Fortuyn als Bomhoff hebben met hun talrijke hyperbolen wel een sfeer van politieke urgentie weten op te roepen. Dat is knap.

Maar dan. Groot ongeluk ligt op de loer wanneer de ambitieuze stukjesschrijver, opgehitst door instemmende reacties, zichzelf al te letterlijk gaat nemen. Wanneer hij gaandeweg vergeet dat zijn groteske zinnen hem invielen bij een goed glas wijn, in een comfortabele studeerkamer, waar de feiten zich in de kleine uurtjes vermengden met fictie en wensdromen. Ineens lonkt dan toch het speelveld, wordt de scoringsdrang ondraaglijk en beeldt hij zich een roeping in. De hofnar wil koning worden.

De ware columnist zal dit niet snel overkomen. Voor hem is distantie niet alleen een noodzakelijke voorwaarde, het is bovenal een levenshouding. Hij is best bereid om af en toe wat mee te maken, maar uitsluitend omdat het een fraaie bespiegeling kan opleveren. Diep in zijn hart verafschuwt hij al dat gekonkel in de echte wereld. Alleen al daarom is het eerste kabinet-Hofland er nooit gekomen en hoeven we, godzijdank, geen Lijst Piet Grijs te vrezen. Overigens, ook de ware columnist draagt graag zijn steentje bij aan de maatschappelijke verandering. Op dit punt is hij evenwel een strikt hegeliaanse opvatting toegedaan. Hij weet: de wereld interpreteren is haar veranderen.

Het valt niet mee om iets van deze mentaliteit terug te vinden in wat dan nu de nieuwe politiek heet. Wat ik vooral zie, zijn verongelijkte vijftigers die juist menen dat zij, met al hun talenten, te lang aan de zijlijn hebben moeten staan. Ik zie zakenlieden politieke posities opkopen en daarbij minachting koesteren voor de grenzen tussen media en politieke macht. En ik zie, tot mijn schrik, hoe de kersverse koning het onafhankelijke denken uit de regeringsgebouwen tracht te weren.

Is dit nieuwe politiek? Dan kan het oude columnisme onmiddellijk van stal. Laten we niet te somber worden, wat meer verbaal spektakel zou bijzonder welkom zijn na de lange jaren van paarse gelijkmatigheid. Een nieuwe lichting columnisten wordt geroepen, om het oude dualisme in ere te herstellen. Geen daden maar woorden.

Nooit mogen we daarbij echter vergeten dat de jonge Bomhoff ons tot voorbeeld is geweest. Zijn eigenzinnigheid was onovertroffen, zoals die ene keer dat hij de filosoof Philipse aan diens beperkte verstand probeerde te peuteren dat wonderen heel wel empirisch aantoonbaar zijn. Dat was betweterij van de betere soort en onontbeerlijk in de voortdurende woordenstrijd die de columnist moet voeren. Langs de zijlijn wemelt het immers van de vakbroeders met net die ene blinde vlek voor de waarheid. Een enkel voorbeeld: de sterrenkijker Vincent Icke voert in deze krant een lovenswaardige strijd tegen de bureaucratie in wetenschapsland, maar heeft dringend hulp nodig waar het zijn wartaal over de sociale wetenschappen betreft.

Genoeg te doen dus. Zeker voor columnisten die het als hun plicht zien hun licht te laten schijnen op de verwarrende toestand die over ons land is nedergedaald. Om hier wat te honen en daar wat te hekelen. Dat is al heel wat. Want juist een welgemikte zin vanaf de zijlijn kan aantoonbaar wonderen doen.

Willem Trommel is universitair hoofddocent Bestuurssociologie aan de Universiteit Twente.