Zat ik maar in de hel van Zambia

Wie alles zou willen weten over het zuidelijke deel van Afrika in de laatste dertig jaar moet zich Alexandra Fullers verhaal over haar jeugd in Zimbabwe en Zambia niet laten ontgaan. Al zal de lezer veel bekend voorkomen over het bedreigde leven van de Europese tabaksplanters, zo'n gezinsgeschiedenis als die van Fuller voegt vreemde en gedenkwaardige bijzonderheden toe.

Wie geen bijzondere belangstelling voelt voor Afrika kan het boek laten rusten. Het heeft eigenaardige kenmerken waarvan sommige de verbeelding animeren en andere helemaal niet. Het eerste dat opvalt is het bijna onafgebroken gebruik van de onvoltooid tegenwoordige tijd. Na de dood van hun eerste zoontje `gaan' de ouders Fuller naar Engeland `via Victoria Falls, waar ze mij verwekken in een jaren-zestighotel naast het voorname Victoria Falls Hotel van rond de eeuwwisseling'. Zelfs voor de geboorte van de schrijfster moeten wij ons in de tegenwoordige tijd wanen, en dan wordt de aandacht ook nog afgeleid door het onnodige gegeven over het ene hotel waar het andere naast lag.

Het hinderlijkst wordt de tegenwoordige tijd wanneer die wil suggereren dat wij in de actualiteit meeleven. `,,Nietwaar papa, ben ik geen goede boer?'' – ,,Ze is een uitstekende boer,'' zegt papa. Ik glimlach zelfgenoegzaam''.' De schrijfster herinnert zich niet alleen woordelijk wat haar vader zei, zij meent ook nog te weten wat zij er als achtjarige voor houding tegenover aannam. In een verzonnen verhaal zouden die pretenties toelaatbaar zijn; in een autobiografische tekst worden zij onverbiddelijk als onwaar herkend.

Eigenaardiger dan haar taalgebruik en minder gangbaar, is de zienswijze van Alexandra Fuller. Zij heeft veel te vertellen over de bedreigingen, de tekorten en de ongemakken van het blanke leven. Zij en haar iets oudere zuster werden geharde, taaie meisjes die zich – voorzover wij horen – nooit beklaagden, en geen vergelijkingen maakten met het luxebestaan van hun leeftijdgenoten in Europa.

Wat haast niet ter sprake komt, zijn gevoelens voor hun ouders, elkaar en hun klasgenoten. Vader neemt hen mee van het ene adres naar het andere en maakt nogal eens een grap; moeder is soms bedrijvig in huis, drinkt vaak te veel en maakt een periode van acute depressie door in het ziekenhuis. Er wordt niets kenbaar van een gevoelsrelatie, vriendinnetjes en vriendjes komen nooit in het zicht.

Kort voor het slot vertelt Fuller hoe zij later als student uit Europa en uit Canada terugkwam in Zambia. Al op het vliegveld van Lusaka ging haar hart sneller kloppen door de Afrikaanse geuren en geluiden om haar heen. Dat is heel mooi, met eindelijk een onvoorziene beweging in het gemoed van de schrijfster. Wat een harde jeugd, en die ouders waren ook niet geweldig, zullen veel lezers gedacht hebben; en kijk, bij het zien van Lusaka voelt zij de warmte niet alleen op haar huid (de hitte is er vaak drukkend), ook in haar ogen en haar gedachten. Als Alexandra Fuller eerder van zulke stemmingen verteld had zou dat veel vergoed hebben van de eigenaardigheid van haar verteltrant.

Wat de vertaling betreft hebben Inge de Heer en Johannes Jonkers het zwaar gehad met het vrijgevochten Engels van het origineel, waar nogal wat zelfgemaakte en zelfvervormde woorden in voorkomen. Soms hebben zij taalgevoelig gewerkt, soms minder. `De weg is een smalle strook kuilig zwart waarop een paar voertuigen zich slingerend en schommelend voortbewegen, de diepere kuilen vermijdend en in sommige van de ondiepe, verrassende gaten knallend', is het soort Nederlands dat gerechtvaardigd moet worden met `je begrijpt toch waar het over gaat'. De meeste andere zinnen klinken beter.

Alexandra Fuller: We gaan niet naar de hel vannacht (Don't Let's Go to the Dogs Tonight). Uit het Engels vertaald door Inge de Heer en Johannes Jonkers.

Cargo, 350 blz. €18,50